Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij wist het, dat Jetje, ondanks alles, altijd van hem was blijven houden. Zij was, al haar Rotterdamsche kennissen ten spijt, met hem in connectie gebleven; zij correspondeerden samen, en bij zijn bezoeken aan Amsterdam bezocht hjj haar. Hun verhouding was geworden als die van goede vrienden. En ofschoon zijn ijdelheid hem deed gelooven, dat de vriendschap, die zij hem betoonde, eigenlijk liefde was, hij was toch niet ijdel genoeg, om te willen onderzoeken, of zjjn veronderstelling waarheid bevatte. Voor Annemarie en de kinderen was Jetje zoo allerliefst, dat zij allen zeer veel van haar hielden, en Annemarie die een fanatieken afkeer had van ieder, die in verband stond met Cornelius' vroeger leven en wier niet geheel onredelijke jaloezie haar elke vrouw, met wie hij in aanmerking kwam, deed haten, verdroeg zijn vertrouwelijken omgang met Jetje in alle kalmte.

Hij was opgesprongen in een spontane uiting van vreugde, toen hij haar rustig, lief gezicht had gezien, én greep haar hand, en legde zjjn andere er op in een krachtigen druk, en riep:

— O, Jetje, wat lief van je, dat je ben gekomen, nu ik je zoo noodig heb! Nu zal alles wel beter gaan.

Haar gezicht werd bedekt met een zachtrooden blos, zij maakte haar vingers los uit de zijne, en op haar bedaarde wijze zeide ze: Goed, dan zal ik blijven, als jullie me gebruiken kunnen. En nu ga ik naar Annemarie.

De aanwezigheid van Jetje was na een paar

Sluiten