Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen al merkbaar op Aechtenskerke. De verwaarloosde huishouding werd geregelder ingericht, en de kinderen, wier slordige kleeding Cornelius vaak tot wanhoop had gebracht, omdat hij er niets aan veranderen kon, al had hij in een heroïsche poging soms wel eens getracht hen te wasschen en beter te kleeden, gingen er weer uitzien als „fatsoenlijke knapen". Cornelius drukte er tegen Jetje zijn stage verwondering over uit, dat er met toch meer dan voldoend diénst-personeel zoo weinig, en dat weinige dan nog zoo slecht, werd uitgevoerd. Maar Jetje antwoordde dan alleen maar glimlachend: 't oog van de meesteres...

Ach ja, 't oog van de meesteres ... Annemarie was een voorbeeldige huisvrouw en moeder, naar zijn oordeel in vele opzichten een beetje te voorbeeldig. Zij nam al haar plichten zoo uiterst consciëntieus ter harte, dat er dikwijls geen tijd overschoot, om zich eens met hèm bezig te honden; hij had zoo graag wat aandacht voor hèmzelf, voor zijn muziek, voor zijn lectuur, — maar zij kon daar nooit „mee staan". Zeker, het was ook wel aangenaam in een goed-geregeld huis te wonen, waar de maaltijden op tjjd werden opgedischt, en alles even helder en proper was; maar als de vrouw des huizes ook maar even afwezig was, dan viel de heele boel in elkaar, en was de met zooveel zorg en moeite verkregen orde totaal verbroken.

Ook op hèm had Jetje een gezegenden, kalmeerenden invloed. Zijn starre waanbeelden, die

Sluiten