Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze wijze van zich te dragen zoo „heelemaal Cornelius* was.

Zij had soms moeite hem al te intieme mededeelingen te beletten, want Cornelius beschouwde haar, zooals hij haar dikwijls, te dikwijls, zeide, als een zuster, die hem het gemis zijner eigen zusters vergoedde, — en hij begreep niet — ach, de jongen! — dat zij niet als een zuster beschouwd wilde zjjn ...

In den loop der jaren was haar liefde voor hem verkalmd tot een stille, teedere genegenheid, waarin het moederlijk gevoel het sterkste sprak. En haar wilde smart, omdat hij een ander verkozen had boven haar, was door den tijd een diepe zachte weemoed geworden, die wel haar heele wezen beheerschte, maar waarmede zij leven kon.

Wat hij zeide over Annemarie, zijn oordeel over haar als echtgenoote, huisvrouw en moeder, uitte zich in 't eerst als een soort van gekheid, vaak in de tegenwoordigheid van zijn vrouw zelf.

— Ja, zij!... beweerde hij dan, is niet tevreden vóór de schoorsteenmantels zóó glimglad gewreven zgn, dat m'n pijp er afglijdt, als ik 'm even in 't hoekje zet; en hoe dikwijls ik al 'n tombade van de trappen heb gemaakt, omdat ze 't maar niet laten kan, 't eikenhout te laten boenen, tot 't glanst als een spiegel, dat weet ik niet.

— Ja, maar dat hoort toch zóó, nietwaar, Annemarie ? wij weten 't wel, zei Jetje dan zachtzinnig, en Cornelius ging voort met plagen, dat

Sluiten