Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij keek baar aan, en de impulsieve woorden kwamen hem op de lippen: Zeg je dat om jezelf, Jetje? slaan die woorden op jou? Maar hij schrikte zelf van zijn opwelling en hield bijtijds zijn mond gesloten.

— En je lectuur, ging zij voort; zij dacht aan de rustige avonden, als zij bij hem zat, en hjj haar voorlas, nu eens uit Schiller, Goethe, Wieland of Seume, uit Matthison of uit een blijspel van Ebtzebne, dan weer uit een pas verschenen versbundel van Lamartine, of een passage uit Voltaire's Candide, of een uit La Bruyère Les Caractères, soms iets uit Milton, Gray of Akenside, of een scène van Vondel, of iets van van der Palm, dien hij den Hollandschen Massillon noemde, of van Kinker, of van Messchaert, Wiselius of M. C. v. Hall, van Bilderdijk, den „Hollandschen Ossian", t of van den jongen van Lennep, of van den jongen da Costa, of van de Botterdammers: Bogaers, Spandaw, Tollens ... bijna nooit las hjj een werk geheel uit, zjjn rustelooze geest kon zich niet lang bij eenzelfde onderwerp bepalen... maar hoe lief was het haar, dat hij haar telkens deelgenoote maakte van zijn lectuur, en hoe gezellig en ongedwongen praatten zij over de verschillende schrijvers, en hoe belangstellend luisterde bij toe, als zjj hem vertelde, dat zij een lezing van Bilderdijk in Felix Meritis had bijgewoond, of een voordracht van da Costa in de Maatschappij van Hollandsche Letterkunde... O, dit waren wel haar heerlijkste stille uren, als zij geheel was afgeleid van haar eigen gedachten,

Het gevleugelde Wiel. 13

Sluiten