Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar de tallooze fabrieken, mijnen enz., welke ook door het oorlogsgeweld rechtstreeks vernietigd zijn, maar ook naai' de waarschijnlijk veel omvangrijker stille kapitaalintering.

Ik heb hier het oog gericht op den slechten toestand, om niet te spreken het verval, waarin in een deel van Europa ook de niet door den oorlog rechtstreeks geteisterde streken zich bevinden, niet alleen wat betreft fabrieken, maar vooral ook ten aanzien van de middelen van vervoer en het bouwland, waarin dikwijls kapitaal van jaren was belegd, dat in de oorlogsjaren en daarna door roofbouw daaraan weder is onttrokken.

Voor den argeloozen toeschouwer werd de achteruitgang der ondernemingen langen tijd aan het oog onttrokken door de gevolgen der inflatie, die winsten deed uitkeeren, welke geen winsten waren, maar den schijn wekten, dat de ondernemingen in bloeiend en toestand verkeerden, terwijl zij innerlijk haar reëel vermogen verteerden.

Nemen wij als toelichting tot voorbeeld eene gefingeerde naaml. vennootschap, met een nominaal kapitaal van f 1.000.000, welke vóór den oorlog een in goederen belegd vermogen had van gelijke waarde. Nu kwam de oorlog met als gevolg de^waardedaling van het geld. De prijzen der goederen gingen naar boven, waren eindelijk b.v. verdubbeld. Een aandeelhouder voor nominaal f 1000, wiens aandeel voorheen werkelijk f 1000 vertegenwoordigde, is nog steeds gerechtigd tot 1/1000 van het vermogen der vennootschap, dat, hoewel er, naar wij willen veronderstellen reëel geen verandering in is gekomen, in geldswaarde is verdubbeld. Het aandeel zal dus, afgezien van andere invloeden als wijziging van den rentestand, in koers moeten zijn gestegen van 100 op 200. Liet men de zaak zich op deze wijze ontwikkelen, dan had natuurlijk geen kapitaalintering plaats. In de praktijk zal het veelal anders gaan. In de eerste plaats kan de fiscus een streep door de rekening halen. Hoewel de aandeelhouder eigenlijk geen ander voordeel heeft bereikt, dan dat hij de waardedaling van het geld voor zijn aandeel niet heeft medegemaakt, zal de fiscus allicht anders redeneeren. Deze zal welücht tot de aandeelhouders of waarschijnlijker tot de naamlooze vennootschap zeggen: Gij bezat voor den oorlog een vermogen van f 1.000.000, thans een van f2.000.000; dus hebt gij een winst gemaakt van f 1.000.000. Draag daarvan mijn aandeel aan de schatkist af. Dat dit aandeel in het bijzonder bij het heffen van oorlogswinstbelastingen zeer aanzienlijk kan zijn, is bekend.

De directie, die recht heeft op tantièmes, en ook de commissarissen, zullen evenzoo redeneeren. Ook zij zullen een deel van het zgn. als winst behaalde f 1.000.000 voor zich opeischen. Maar

Sluiten