Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als ieder zoo bevoordeeld wordt, zullen de aandeelhouders, die door de stijgende duurte toch reeds er op uit zijn om hun inkomsten te vergrooten, ook zeggen: Zijn die f 1.000.000 winst, dan moet dat ook in ons dividend tot uitdrukking komen. Op deze wijze zal de vermeerdering van de waarde van het vermogen der vennootschap van 1 op 2 millioen geheel tot uitkeering komen. De koers der aandeelen zal dan echter niet van 100 op 200 stijgen.

Waar bij inflatie de koers der aandeelen eener onderneming toch omhoog gaat, blijkt, weder afgezien van andere invloeden, dat óf de onderneming uit anderen hoofde extra winst heeft gemaakt óf dat de directie weerstand heeft kunnen bieden aan den in gewone tijden geldenden regel, dat hetgeen het vermogen aan het einde van het jaar grooter is dan aan het begin als winst is te beschouwen. Wordt deze op zichzelf juiste regel in tijden van gelddepreciatie toegepast, dan wordt het vermogen ongemerkt opgeteerd. Directie, commissarissen, fiscus en aandeelhouders krijgen dan elk hun deel van den schijnrijkdom der vennootschap. Bij gezond beheer eener vennootschap mag men dus, bij verdubbeling der prijzen, geen winst uitkeeren voor en aleer de geldwaarde van het vermogen ook verdubbeld is. Dan alleen maakt ook de waarde van het aandeel de daling in de waarde s van het geld niet mede.

Dat men zich nimmer aan genoemden gezonden regel heeft gehouden, wil ik niet beweren. Dat er echter al te zeer van is afgeweken, durf ik wel staande te houden.

Het hier gezegde geldt natuurlijk niet alleen van naamlooze vennootschappen, maar voor alle vennootschappen en ook voor particuliere zaken. Bij de laatste is de kans nog het grootst, dat de schijnwinst, voor zoover de fiscus die niet opeischte in de zaak is gebleven.

Ook vermogens van particulieren zijn op deze wijze ingeteerd.

Werd dus aan den eenen kant door deze vennootschappen haar geheele of een groot deel van haar schijnwinst uitgekeerd, aan den anderen kant wilden zij soms niet gaarne haar reëele vermogen verminderen, daar hierdoor haar winstmogelijkheid zou worden beperkt. Daarom werd meermalen tegelijkertijd het nominaal kapitaal vergroot en door uitgifte van nieuwe aandeelen de beschikking over het noodige werkkapitaal ter aanvulling van bet reëele vermogen verkregen.

Gesteld, dat hierdoor bij de reeds beschouwde onderneming het reëele vermogen weder op zijn oude peil is gebracht. Gelijktijdig is echter het aandeelenkapitaal sterk vergroot. Veronderstellen wij eenvoudigheidshalve, dat alle schijnwinst is uitge-

Sluiten