Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat er in bepaalde gevallen voor ondernemingen aan overkapitalisatie zoo groote bezwaren verbonden kunnen zijn, dat het de voorkeur zal verdienen haar te niet te doen door kapitaalreductie, wil ik niet ontkennen. Eene bankinstelling, welke uit den aard der zaak algemeen vertrouwen moet genieten, wil zij haar bedrijf uitoefenen, zal niet gaarne hare aandeelen langen tijd beneden pari zien genoteerd en evenmin jaren achtereen geen dividend uitkeeren. Voor een onderneming, welker reëel vermogen zoodanig heeft geleden, dat zij het niet zonder nieuw kapitaal van buiten kan bolwerken, zal het dikwijls moeilijk vallen dit te verkrijgen zonder haar oude kapitaal te reduceeren. Tenslotte kan de overkapitaüsatie zoo groot zijn, dat aan een inverdienen van het ontbrekende in afzienbaren tijd niet te denken valt, zoodat eventueele winst in zoo verre toekomst ligt, dat zonder kapitaalreductie niet voldoende prikkel tot ondernemingslust aanwezig blijft. Ziehier eenige voorbeelden om aan te toonen, dat kapitaalreductie niet steeds is te vermijden. Wordt zij toegepast, dan is van een stille kapitaalvorming echter geen sprake, of, vat men ook het verleden in het oog, dan opent zij de mogelijkheid van het als winst uitkeeren van hetgeen eigenlijk behoordé te strekken tot dekking van toen geleden verliezen.

Mijne Heeren Curatoren. Artikel 14 van de wet van 15 December 1917 tot regeüng van het hooger landbouw- en hooger veeartsenijkundig onderwijs schrijft voor, dat ingeval van eene vacature van hoogleeraar aan de Landbouwhoogeschool door Curatoren eene met redenen omkleede aanbevelingslijst aan den betrokken Minister wordt aangeboden. Het is dus niet alleen, omdat Gij vormt het hoogste College aan deze Hoogeschool, dat ik het eerst tot U mij wend, doch tevens omdat het mij past tot U een woord van dank te richten voor het feit, dat Gij mij waardig hebt geoordeeld voor eene plaats op deze aanbevelingslijst. Weest ervan overtuigd, dat ik mijne beste krachten aan het onderwijs en de studie dier vakken, welke mij bij mijne benoeming zijn opgedragen zal wijden, opdat ik mij den leerstoel waardig zal toonen, laatstelijk door wijlen den uitnemenden Heringa ingenomen.

Mijne Heeren Professoren. Ik gevoel mij gedrongen ook tot TJ een woord van dank te spreken. Want al wordt de aanbeveling opgemaakt door Heeren Curatoren, dit geschiedt op advies van den Senaat en ik weet, dat het dit advies is, dat mij op de aanbeveling heeft doen

Sluiten