Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel is waar verfoeien de vrouwen deze onteerende instelling der keuring, maar wat doet dit ter zake? Haar wil bestaat niet tegenover den wil der Regeering. Haar deel in het leven, hare rol wordt geheel en al lijdelijk van het oogenblik af dat zij den drempel van het bordeel hebben betreden, zij hebben afstand gedaan van allen eigen wil en haar blijft niets anders over dan te gehoorzamen, zij behooren zichzelf niet langer toe, maar zijn eenvoudig zaken aan de Regeering toebehoorend, zij zijn niet alleen afgesneden van de maatschappij, maar van den hemel, van de hoop, van de macht om terug te treden". (La syphüis et la prostitution, Parijs, G. Masson, 1875).

Ook hier te lande dacht men er zoo over ten tijde der reglementeering, ook de publieke vrouwen zeiven. Een dame, die het sterven van een prostituée in een onzer ziekenhuizen bij had gewoond, deelde mij mede dat deze vrouw zeide dat het haar een troost was te weten dat haar vreeselijke leven toch nuttig was geweest, want dat zij door zich beschikbaar te stellen, een massa onschuldige meisjes voor verleiding had behoed. Zulk een uitspraak is nu in Engeland, in ons land reeds even ondenkbaar als een uiting gelijk die van den Parijschen medicus. Maar zij is zeer gewoon in landen, waar de reglementeering nog heerscht. In November 1.1. was ik op een congres tegen de Prostitutie té Rome, daar deelde een dame ons mede in een bordeel te hebben aangetroffen een meisje van 12 jaar, een kind nog, zij had lange vlechten, zij ging op haar schoot zitten en speelde met haar horlogeketting. De bedoelde mevrouw zeide tegen haar: „maar kind wat een vreeselijk leven heb je hier". Het meisje keek haar plotseling verwonderd, bijna medelijdend aan: „maar weet u dan niet dat wij noodig zijn". En indien men meenen mocht dat deze uitspraken geen waarde hebben, omdat zij ingeblazen kunnen zijn door den bordeelhouder, dan naai ik de woorden aan van een Italiaansch professor in Zürich op een congres tot bestrijding van den handel in vrouwen mij persoonlijk toegevoegd, nadat ik het bordeelstelsel had bestreden en onweerlegbaar had aangetoond dat het de hoofdbron was van den vrouwenhandel: „en ik wil u dan wel verklaren", zeide hij, „dat ik het niet wagen zou, zelfs op klaarlichten dag met mijn vrouw en dochters te wandelen in een stad waar geen bordeelen waren". Zoo'n uitspraak vinden wij nu reeds belachelijk, omdat bij ons het dogma van de onbedwingbaarheid van de manlijke hartstocht óf overwonnen öf althans ondermijnd is. Overwonnen nog niet, dat kan men lezen in het interessante in veel opzichten goede, maar helaas in veel opzichten ook zoo grenzenloos oppervlakkige boekje

Sluiten