Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van M. J. Brusse: Rotterdamsche zedeprenten, waar met weemoed de goede oude tijd herdacht wordt, toen de Rotterdamsche Overheid op zoo degelijke wijze voor de behoefte aan ontucht voor de burgerij zorgde, in de volgende woorden:

„Daar had zij (= de stad) voor de welgestelden en de meer verwende vreemdelingen: het bordeel op het Haringvliet. Voor bescheidener aanspraken — maar wat in de wandeling toch ook fatsoenlijke nette publieke vrouwen werden geacht—de Binnenrotte. Dan voor al wat minder allooi „den Dijk" en in graduatie omlaag: Delftsche vaart, Rijstuin, Schiestraat, Bagijnestraat en Wijde Broedersteeg. Zoo was daar dan vroeger met waarlijk roerend overleg voor alle categorieën zorg gedragen, en de vroede vaderen waakten trouw over de veiligheid en de gezondheid van de cliëntèle, door hun politie, die de geautoriseerde neringen kende en in 't oog bield, èn door de ambtelijke controle van hun geneesheeren. Maar sedert, sedert .... hoe zijn deze gemoedelijke verhoudingen veranderd! Hoe zijn in die, laat ik zeggen laatste twaalf jaar, in 't algemeen de zeden onzer goede stad gewijzigd, en vooral — wat is niet ook de overheid tot onwankelbare braafheid bekeerd. Wij weten 't allen: zij hèeft niet alleen den Polder vrijwel afgebroken —

„De meides mosten uit d'r zaak ie s De Burgemeester trok er in".

zong haar trouwe troebadoer Koos Speenhoff, — maar zij heeft ook niet meer of minder dan de ontucht absoluut verboden (naar men weet vergist de heer Brusse zich hier: niet ontucht is verboden, „het gelegenheid geven tot ontucht", wat geheel iets anders is, is strafbaar) en de souteneurs bij massa's naar Hoorn, naar den „Krententuin" gestuurd. En daar zitten wij nu als gekuischte Jozefs en boetvaardige Magdalena's, en overdenken de zonden van het vorige geslacht op een maagdelijk wit bankje in den nauwen binnenhof van 't nieuwe stadhuis." De heer Brusse had ook kunnen aanhalen twee volgende nog karakteristieker regels van het bekende geestige liedje van Speenhoff, waar hij de vrouwen van den Polder laat zeggen:

„En as we dan fesoenlijk worden Dan is 't de Raad z'n eigen schuld."

Ik weet wel dat men dit alles niet geheel in ernst moet nemen, zoowel Speenhoff als Brusse maken grapjes, bij Brusse blijkt het uit 't zeer ernstige laatste gedeelte van zijn boek, waar de borrelen café-chantant-lucht u niet meer tegenwaait, maar waar hij geheel

Sluiten