Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want lees maar eens het tweede deel van zijn boek, met welk een sympathie spreekt hij van het werk van de kinderpolitie en van de zedenpolitie, van al de goede zorgen van de politie, ditmaal niet om die goede burgers op een nette en veilige en onschadelijke manier aan gevangen en gekeurde en voor goed verloren en geexploiteerde prostituees te helpen (de burgers, dat wil zeggen vooral de gehuwde burgers, want immers juist zij, de gehuwde burgers en niet de ongehuwde waren de trouwe bezoekers der bordeelen en gaven zich daar over aan de grofste liederlijkheden tegenover ongelukkige vrouwen, die niet ontsnappen konden omdat zij altijd in de schuld stonden, soms omdat zij letterlijk waren afgesloten met een slot waarvan de bordeelhouder de sleutel in den zak had, en dat alles onder toezicht en met medewerking van de politie en van de zorgzame Overheid), neen thans een zedenpolitie, die geheel veranderd is, die haar zorgen uitstrekt over de slachtoffers van de prostitutie, die haar waarschuwt, voorthelpt, raadgeeft, ouders raadgeeft, slechte ouders bedreigt, een zedenpoütie, die de bordeelhouders, de souteneurs vervolgt. De particuliere vereenigingen en de menschen die de prostitutie bestrijden, worden niet meer uitgelachen en vervolgd zooals vroeger toen middernachtzendelingen door politieagenten werden opgebracht onder voorwendsel van dronkenschap, feitelijk omdat zij de bordeelhouders stoorden in hun nuttig bedrijf van vrouwen exploiteeren voor ontucht, neen de politie helpt de vereenigingen en menschen voort, die hun hulp inroepen en zij beklaagt zich bitter dat er niet meer vereenigingen zijn, niet meer hulp. „Wat een brave politie!" Brusse zegt het niet, Brusse lacht haar niet uit. Hij kan het niet meer. Hij is zelf veranderd.

Voor wie het goed leest geeft niemand ons een overtuigender bewijs van de goede werking der veel gesmade zedelijkheidswet van 1911 dan de heer Brusse in zijn Rotterdamsche zedeprenten. Hij zegt wel veel kwaad van deze wet en herhaalt de vergissing van velen dat de zedelijke verwildering en de toename der clandestiene prostitutie te danken zou zijn aan deze wet, vergetende dat er geen stad was waar de clandestiene prostitutie zoo welig tierde als juist Rotterdam tijdens het bestaan van de officieele bordeelen en de reglementeering, zooals mij in 1908 door opgaven van de Rotterdamsche politie zelve bleek, vergetende dat die zedenverwildering aan geheel andere oorzaken als aan de wetten van 1911 te danken is, dat er kort daarna zoo iets als een wereldoorlog is geweest en dat de verwildering, ik herhaal het, in de steden waar de bordeelen in eere bleven (Parijs, Weenen, Brussel, Hamburg) vooral niet minder is toegenomen, hij zegt dus wel veel kwaad

Sluiten