Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke handelingen moeten beschouwd worden dat recht te schenden, d. i. dus de openbare orde, dat fundament van het gebouw der gemeenschap, te bedreigen.

Wanneer ik een huisgenoot onaangenaam bejegen, zijn leven verzuur, hem dagelijks uitscheld, dan is dat hoogst afkeurenswaard en indirect hebben ook anderen als het slachtoffer daar wellicht door te lijden, toch bemoeit de wet zich er niet mee, laat dit aan andere organen over. Maar ga ik mijn huisgenoot zoo mishandelen dat hij verminkt wordt, maak ik zulk een lawaai dat het burengerucht geeft, dan raakt dit een algemeen goed, dat is de persoonlijke veiligheid van ieder burger en de algemeene rust, die in iedere gemeenschap onontbeerlijk is, en ik wordt vervolgd op grond van een wetsartikel (want niemand kan gestraft worden dan op grond van een wettelijke strafbepaling, zegt het eerste artikel van ons wetboek van Strafrecht), een wetsartikel dat verbiedt mishandeling en huisvredebreuk. Men gevoelt het verschil: mijn onaangename bejegening behoorde tot het intieme persoonlijke huiselijke leven, de latere verminking en huisvredebreuk raakte de gemeenschap; een goed, kostbaar voor de rechtsorde, moest verdedigd worden. Misschien was mijn onaangename bejegening, mijn jarenlang slecht humeur heel wat onverdragelijker en uit zedelijk oogpunt heel wat af keur ings waardiger dan de enkele driftbui, de al te hard aangekomen slag, het in woede stukslaan van de ruiten, toch gevoelt ieder het verschil en keurt deze houding van den wetgever goed, het niet-strafbaar stellen van het humeur, het wel strafbaar stellen van de verminking.

i??lMen stelle zich maar eens voor dat de wetgever anders had beslist en b.v. humeurigheid of liegen wèl strafbaar had gesteld, men stelle zich de gevolgen eens voor van het zich mengen in het intieme persoonlijke leven door politie en justitie, die de vervolging van zulk een feit onvermijdelijk mee zou brengen.

Dezelfde strenge onderscheiding heeft de Nederl. strafwetgever in acht genomen waar het betreft zedelijkheidsdelicten.

Wanneer een volwassen man en vrouw in een gesloten huis ontucht willen plegen, buitenechtelijke geslachtsgemeenschap willen uitoefenen, dan bemoeit de strafwetgever zich daar niet mee, niet omdat dit niet afkeurenswaardig zou zijn en niet indirect, zooals iedere slechte daad, de gemeenschap min of meer zou benadeelen, maar omdat dit de publieke orde niet raakt, welke te beschermen de. strafwet tot eenige taak heeft.

Maar zoodra ouders of voogden ontucht plegen met hun kinderen of pupillen^of personen die macht hebben over'minderjarigen, daar

Sluiten