Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misbruik van maken, of jonge meisjes beneden de 16 jaar tot ontucht verleid worden, dan bedreigt de wet met straffen. Waarom? Omdat de jeugd zich daartegen zelve niet beschermen kan, inzonderheid niet kinderen tegen ouders en voogden (daarom zijn ook de straffen in geval van overtreding van dat artikel veel zwaarder) en omdat de gemeenschap er belang bij heeft dat al wie zich zelf niet beschermen kan, beschermd wordt door de Overheid, immers de onbeschermde kan niet helpen de openbare orde te handhaven; ieder moet die orde handhaven, helpen ophouden: wie het niet kan moet worden beschermd, wie niet wil moet worden gestraft. Zoodra ontdekt de wetgever dan ook niet een rubriek van onbeschermden, of nieuwe strafbepalingen worden gemaakt, zoo in 1901 de Kinderwetten, die verwaarloozing van eigen kinderen met ontzetting uit de ouderlijke macht bedreigen, zoo de wet van 1911, die verleiding van minderjarige jongens straft.

Wat nu de ontucht tusschen volwassenen betreft, deze wordt in 't algemeen niet gestraft, maar wel zoodra zij plaats heeft op den openbaren weg, immers als „openbare schennis der eerbaarheid": het woord zelf drukt reeds uit dat zulk een feit de openbare orde schendt.

Hoe staat het nu met de prostitutie. Tot 1911 had de strafwetgever zich er niet mee beziggehouden, dan in art. 452 hierboven geciteerd, waarbij de prostitutie als bedrijf was erkend, dus toegelaten, mits de bordeelhouder de vrouw die in zijn dienst trad met den aard van zijn bedrijf bekend maakte.

Maar door de feiten die op het einde der vorige eeuw door de enquête van den Gemeenteraad van Amsterdam, door de enquête ingesteld door het „Nationale Comité tot bestrijding van den handel in vrouwen", gevoerd door den inspecteur van politie, den heer J. Balkesteyn, in samenwerking met den secretaris van de Middernachtzendingvereeniging, denheer G. VEtïttOYSEN Jr., waren bekend geworden en die een geregelden handel in vrouwen en kinderen door de bordeelhouders aan het licht brachten, begon men zich te bezinnen. Het resultaat was dat de Nederl. wetgever heeft gemeend dat het feit dat een volwassen man en vrouw in een besloten huis met of zonder betaling van den een aan den ander, ontucht pleegden, de wetgever geen aanleiding tot ingrijpen mocht geven, omdat, deed hij dit wèl, de Overheid genoodzaakt zou zijn in veler intieme leven in te grijpen, en dat, hoezeer indirect zeker de gemeenschap door zulke daden ten zeerste wordt geschaad, toch de openbare orde niet geacht mag worden daardoor te worden geschonden of juister gezegd, dat het wèl strafbaar stellen van de

Sluiten