Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkele daad van ontucht, al of niet betaald, door volwassenen, andere kostbare gemeenschapsgoederen als daar zijn: de persoonlijke vrijheid, het besloten familieleven enz. enz. en daardoor de openbare orde in den hoogsten zin, ernstig zou bedreigen.

Maar daarentegen was de wetgever van meening dat er alle reden was om te straffen hem die van de ontucht van anderen geldelijk profiteert, die gelegenheid biedt tot het plegen van ontucht, daar winst uit trekt en daarvan een gewoonte maakt. Omdat een zoodanige, uit den aard der zaak, geacht kan worden de prostitutie te bevorderen, gelegenheden te scheppen en te vermeerderen, een openbare bron van onzedelijkheid te zijn; (de naam openlijk huis van ontucht duidt het reeds aan) moet hij geacht worden de openbare orde op de ernstigste wijze te benadeelen. Vandaar het nieuwe art. 250bis wetboek van strafrecht.

En daarmede was de Overheid braaf geworden, een kuische Joseph, zegt de heer BrüSSE. Ja zoo is het, en daar zijn wij allen dankbaar voor, ook de heer Brusse.

Want wij mogen zelf al of niet kuisch zijn, de wet boven ons allen, de onpersoonlijke, daar verwachten wij van dat zij zal uitdrukken, wat ieder burger zonder uitzondering, ook de diepst gezonkene in zijn hart wenscht, n.1. den wil om kuisch te zijn.

Met deze beslissing heeft nu de Nederlandsche wetgever een volkomen nieuwen weg betreden. Op gansch nieuwe wijze wordt de prostitutie bestreden. Ik herinner U dat de bestudeering der historie ons leerde dat de bestrijding der prostitutie even oud was als de prostitutie zelve, maar dat de bestrijdingswijze steeds bestond in het dulden van de prostitutie in bepaalden vorm en verder in het straffen van prostituées.

Nu juist omgekeerd: prostituées worden niet gestraft en de prostitutie, dat is de instelling, het bedrijf van het bevorderen en profiteeren van ontucht wordt wel gestraft. Ook de souteneur die op zijn wijze profiteert van de ontucht van anderen, wordt gestraft.

Dit was de grondslag en zeer zeker is het van het grootste belang om nu precies tien jaren na het in werking treden van artikel 250bis (want men herinnert zich dat de wet van Mei 1911 bepaalde dat art. 250Wf eerst op 1 Januari 1912 in werking zou treden, om den gemeentebesturen de gelegenheid te laten hun verordeningen aan de nieuwe wet aan te passen), het is zeer noodig na te gaan wat deze gansche nieuwe wet (zoo verbijsterend nieuw, van zulk een gloednieuwe gedachte uitgaande, dat de bekende Fransche

Sluiten