Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoewel in het systeem voor óns de kunst als dwaling, als gebrekkige philosophie optreedt, werd zij als zoodanig niet door Hegel opgevat: Hegel was zich zijn eigene dwaling niet bewust. Hij wilde haar een positieve waarde toekennen en moest haar dus onder de geesteswerkzaamheden een plaats inruimen. Onder welke kategorie was hij nu verplicht haar onder te brengen ?

Om hierop een antwoord te geven, hebben wij er aan te herinneren, dat in dit systeem sprake is van den „subjectieven", den „objectieven" en den „absoluten" geest; drie gebieden, waarop de geest zich manifesteert. Onder de subjectieve vormen komen voor: de aanschouwing, de voorstelling en het denken, die tezamen onder de theoretische intelligentie worden gerangschikt. Daar de kunst bij Hegel en Bolland niet onder deze groep kon worden gerangschikt, omdat deze vormen niet het algemeene, het begrip of de Idee uitdrukken, wat de kunst op hare wijze op zinnelijke wijze wel doet, en daar zij verder ook niet het ware zelf uitdrukken, en zij verder niet als louter schijn, als dienstmaagd der waarheid dienst doet, zooals bij Baumgarten, wordt zij opgevat als 'iets' tüsschen aanschouwing (voorstelling, phantasie) en logisch denken, een vermogen, dat noch bloote voorstelling en aanschouwing of phantasie, noch de waarheid als waarheid of logisch denken bevat: t „Uit de lichtzinnigheid der phantasie komt geen degelijk kunstwerk tot stand" daarentegen moet voor en gedurende de uitvoering van zijn werk een dichter nadenken en overleggen, al philosopheert hij ook niet2).

Dit tusschending tusschen phantasie en logisch denken is een intellectueele aanschouwing of een aanschouwend intellect, dat noch het een noch het ander is, en dus door zijn onvastheid als doorgangsphase moet verdwijnen. De kunst kon niet worden gerekend tot het gebied van den theoretischen geest, onder den „objectieven" geest als wil

1) W. W. 102, 1, 354.

2) Ene. § 449 Zus. am Ende; W.W. 102, I, 354-355.

Sluiten