Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkelheid, maar een totaliteit, een te zamen gehouden volheid van bepalingen", zoodat in dezen zin Schelling kon spreken van intelledueele aanschouwing1). De kunstzin nu is voor hem reeds kennende intelligentie, de aanschouwing slechts begin der kennis. De dichter b.v. gaat niet louter aanschouwend te werk, maar denkt na2). Indien Hegel consequent ware geweest, zou hij derhalve den kunstzin onder de theoretische intelligentie hebben moeten behandelen in die afdeeling der Encyclopaedie, die over de aanschouwing handelt. Hij geeft de kunst evenwel niet de plaats, die haar toekomt, maar spreekt in plaats daarvan over de aanschouwing, die echter, omdat Hegel het onderscheid tusschen theorie en practijk niet scherp kende, niet theoretisch, maar practisch denken is. Dit zal blijken uit het dorre karakter, dat'hij aan die aanschouwing geeft:

De aanschouwing is voor hem, nog niet kennende intelligentie, omdat zij als zoodanig nog niet tot de immanente ontwikkeling van de substantie der objecten komt, maar zich veeleer beperkt tot het vatten van de nog onontwikkelde substantie, die nog met het omhulsel (Beiwesen) der uiterlijkheid en toevalligheid is omgeven. Hare werkzaamheid bestaat uit 1° de opmerkzaamheid. 2° het jsrojecteeren der gevoelens in de vormen van ruimte en tijd 3). „De intelligentie als deze concrete eenheid der beide momenten en wel met de bepaling, onmiddellijk in de uiterlijk-zijnde stof in zichzelve herinnerd en in hare herinnering in het buiten-zich-zijn verzonken te zijn, is aanschouwing" 4). De aanschouwing, die nog niet door de voorstelling tot beeld verduisterd en uitgewischt is 5), wordt door de opmerkzaamheid gefixeerd als iets, dat een zelfstandig bestaan heeft en dat tevens subjectief „voor

1) Ene. § 449 Zus. (ed. Boll. blz. 945 -6).

2) Ibid (ed. Boll. blz. 947).

3) Ene. § 448.

4) Ene. § 449.

5) , die Anschauung verdunkelt und verwischt sich, indem sie

zum Bilde wird". Ene. § 452. Zus. (ed. Boll. blz. 950).

Sluiten