Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De objectiveering der gevoelens in een voorwerp : een boek, een teekening, een beeldhouwwerk enz., kortom in een voorwerp in „ruimte en tijd" moet niet verward worden met de uitdrukking dier gevoelens door de voorstelling (= aanschouwing). Voordat de kunstenaar practisch zijn visie gaat uitbeelden, heeft hij moeten nadenken, zijne voorstellingen moeten vormen, die met ruimte en tijd niets te maken hebben. Michel Angelo zeide, dat men met de hersens schildert en niet met de handen, en Leonardo da Vinci stond- dagen lang voor zijn „Avondmaal!' zonder het penseel te hanteeren en toen de prior van het klooster delle Grazie zijne verontwaardiging liet blijken, antwoordde hij, „dat de verheven kunstenaars het meest scheppen, wanneer zij het minst schijnen te arbeiden, omdat zij dan in den geest hunne vormen zoeken." De kunstenaar stelt zich voor, wat een ander slechts „gevoelt" („empfindet"). De uitdrukking der gevoelens is indentiek met de aanschouwing (voorstelling, phantasie of intuïtie) en ook bij Hegel verkrijgt de aanschouwing één keer deze beteekenis, zonder dat hij daarbij denkt aan een werkzaamheid, die slechts bestaat in het scheiden van subject en object („bloss anschauend"). „Wij weten", zegt hij, „dat, wanneer iemand in staat is, zich de hem overweldigende gevoelens van vreugde en smart (b.v. in een gedicht) aanschouwelijk te maken, hij datgene, wat zijnen geest benauwde, van zich afscheidt en zich daardoor verlichting of volledige vrijheid verschaft l). Want, hoewel hij door de beschouwing van de vele zijden zijner gevoelens de macht hiervan schijnt te vermeerderen, vermindert hij deze macht toch in werkelijkheid daardoor, dat hij zijne gevoelens als iets, dat tegenover hem staat, als iets dat uiterlijk wordt (uitdrukking ?) maakt; daardoor heeft n.1. Goethe voornamelijk door zijn Werther zichzelf verlicht, terwijl

1) „Auf dem Standpunkte der blossen Anschauung sind wir ausser uns, in der Raumlichkeit und Zeitlichkeit... Daher können wirin der Anschauung höchst unfrei werden". (Ene. § 450 Zusatz.).

Sluiten