Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij de lezers van dezen roman onderwierp aan de macht der gevoelens" l).

Deze opmerking van Hegel had hem tot een juister begrip der kunst moeten brengen door haar op te vatten als de aanschouwing-uitdrukking : d.w.z. als de aanschouwing, die slechts dan aanschouwing is als ze tot uitdrukking is gekomen, en als uitdrukking die slechts uitdrukking is, als ze tevens aanschouwing is. Een aanschouwing, die nog niet tot uitdrukking is gekomen is „Empfindung", waarvan de macht zich nog laat gelden en waarvan men zich door de uitdrukking, dus door de aanschouwing, bevrijdt. Deze werkzaamheid des geestes is de aesthetische en behoort tot den theoretischen vorm des geestes. Ook heeft Hegel reeds gezien, hoewel slechts in het voorbijgaan en verward, zonder er dus met vrucht gebruik van te hebben kunnen maken, dat deze theoretische vorm naast het logische denken verschijnt: „ein sinnvoller gebildeter Mensch kann, wenn er auch nicht philosophiert, das Wesentliche, den Mittelpunkt der Sache in einfacher Bestimmtheit erfassen. Dazu ist jedoch immer Nachdenken notwendig. Man bildet sich oft ein, der Dichter, wie der Künstler überhaupt, müsse bloss anschauend verfahren; dies ist durchaus nicht der Fall. Ein echter Dichter muss vielmehr vor und wahrend der Ausführung seines Werkes nachsinnen und nachdenken" 2).

Hieruit blijkt, dat voor Hegel het nadenken niet het logische denken is van den philosoof, maar ook niet het aanschouwende denken, en dit laatste niet, omdat voor hem de aanschouwing hier weer beschouwd wordt als de functie van het projecteeren der gevoelens in ruimte en tijd. Dit nadenken van den echten dichter, zooals Goethe b.v., is zijn aesthetische geest, die aanschouwing - uitdrukking is.

Deze vorm van den geest, dien Plato met het zinnelijke gelijkstelde en die voor hem een verderf van het denkvermo-

1) Ene. § 448 Zusatz. (ed. Boll. blz. 943).

2) Ene. § 449, p. 947, ed. Boll.

Sluiten