Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vere begrip, hetzij als Oeconomie of philosophie van het zuiver nuttige, hetzij als Ethica of philosophie van het zuiver moreele willen. Het systeem des geestes als philosphie des geestes werkt met zuivere begrippen en is dus theoretisch : de geest in zijn werkelijke uitingen is steeds aesthetisch, logisch, oeconomisch en moreel werkzaam, is absoluut en omvat de geheele werkelijkheid. De overgang van theorie tot practijk en van practijk tot theorie is een verbale uitdrukking, die zijn nut kan hebben voor didactische doeleinden ; in werkelijkheid is er steeds absoluut eenheid en verscheidenheid van geest: kennen en willen. Bij Hegel verkrijgt de overgang tot den absoluten geest echter een mystiek karakter, daar een derde vorm van den geest wordt aangenomen, waarvan men zich geen begrip kan vormen. Daarvandaan dat deze overgang even duister is als de overgang van de Idee tot de Natuur.

Het gedeelte der Encyclopaedie, dat over de aanschouwing, voorstelling en denken (van wetten, krachten enz. abstracties dus, gevormd door het oeconomische denken) handelt, behoort derhalve feitelijk tot de algemeene oeconomie, een vorm van den practischen geest; de 'objectieve' geest behandelt den wil zooals hij moreel én oeconomisch werkzaam is: de vorming van een Staat. Dat het leven in den Staat echter niet uitsluitend practisch is, daar de mensch met zijn concreten geest steeds werkzaam is, bewijst Hegel door te wijzen op de overeenstemming tusschen religie en zedelijkheid (Sittlichkeit). De moraliteit, die een autonome vorm van den practischen geest is, wordt door hem tot het subjectieve gerekend, tot de innerlijke overtuiging en dus tot theoretisch kennen gemaakt. Daar zij evenwel één der vormen van het absolute is, dient zij hiertoe gerekend te worden, waarop ook Georg Lasson in zijn voorrede tot Hegels „Philosophie van het Becht" heeft gewezen *)• De neiging van Hegel om alles dialectisch af te leiden, bracht hem er toe, den objectieven geest als een onvrijen toestand op te vatten,

1) Philosophische Bibliothek. Bd. 124. Leipzig 1911. S. XXXVf.

Sluiten