Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit welken eindigen toestand de geest zich als het ware oneindige moet bevrijden, om eindelijk te komen tot de philosophie. Historisch tracht Hegel dit te rechtvaardigen door op te merken, dat „de philosophie op een tijdstip optreedt, waarop de geest van een volk zich reeds uit de onverschillige stompheid van het eerste natuurleven heeft opgewerkt en eveneens boven het standpunt van het hartstochtelijke belang, zoodat deze richting op het enkele zich heeft afgewerkt. Evenals de geest echter boven zijne natuurlijke gestalte uitgaat, zoo gaat hij ook van zijne reëele zedelijkheid en van zijn kracht van het leven tot de beschouwing en het begrijpen over. Het gevolg hiervan is, dat hij deze substantiëele bestaanswijze, deze redelijkheid, dit geloof aanvalt en wankelend maakt, waarmede de periode van het verderf intreedt. De verdere voortgang is dan dat de gedachte zich in zichzelf verzamelt. Men kan zeggen : waar een volk geheel en al boven zijn concreet leven uit is, waar scheiding en onderscheid der standen is ontstaan, en het volk dichter bij zijnen ondergang komt, waar een breuk tusschen het innerlijk streven en de uiterlijke werkelijkheid is ingetreden, de godsdienstvorm van dien tijd enz. niet meer bevredigt, waar de geest onverschilligheid voor zijn levend bestaan aan den dag legt of onbevredigd daarin blijft en een zedelijk leven zich oplost, — dat daar eerst wordt gephilosopheerd. De geest vlucht dan in de ruimte der gedachten, om tegenover de werkelijke wereld een rijk van gedachten te vormen, en de philosophie is de verzoening van het verderf van die reëele wereld, dat met de gedachte begonnen is. Wanneer de philosophie met hare abstracties grauw-ingrauw schildert, dan is de frischheid en levendigheid der jeugd reeds voorbij en hare verzoening is niet eene verzoening in de werkelijkheid, maar in een ideëele wereld. De philosofen in Griekenland hielden zich zoo van de staatsaangelegenheden verwijderd en het volk noemde hen leegloopers, omdat zij zich in de gedachtenwereld hadden teruggetrokken" 1) Gesch. der Phil. ed. Boll. blz. 43- 44.

Sluiten