Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zielen op een stuk grond", doch eene door God gewilde gemeenschap.

Staat en organisatie zün twee belangrijke machten, die het maatschappelijk leven in de rechte banen hebben te houden. Evenwel, de belangrijkste niet: hooger dan deze stellen wij de geestelijke actie, die nadert tot de ziel.

Het hoogste doel onzer sociale bemoeiing moet wezen, dat ook bij de economische bedrijvigheid, bij den strijd om het dagelijksch brood heerscht vreugde, vrede in de ziel.

Het massale van den organisatiedwang kan zoo licht de ziel, de persoonlijkheid in het gedrang brengen. In staatshulp ligt eene innerlijke leegheid, welke de ziel niet beroert. Meer dan in eenig tijdvak roept onze eeuw het den socialen hervormers toe: bekommert u boven alles om de ziel van de millioenen worstelaars!

De klacht rust dat de tegenwoordige ontwikkeling van ons voortbrengingsleven de ziel bedreigt, de arbeidsvreugde rooft. Geloochend kan niet worden, dat voor duizenden de arbeid een juk der slavernij is, waaronder zü zich, al morrende, bukken. Niet weinigen zien in het tekort aan arbeidsvreugde de sociale krankheid onzer dagen. Indruk moet maken het woord van Prof. Harms, een bezadigd denker, als hij in het Handwörterbuch der Staatswissenschaften17) schrüft: „Millioenen arbeiders voelen zich alleen buiten de beroepsbezigheid mensen." Hoe is te bejammeren het wegsterven van het vroolnke arbeidslied, het vervlakken en verkwijnen der bloemrijke arbeidstaal, waaraan Dr. van G i n n e k e n 18) zijn interessante studiën wüdde! Gebrekkig is de rijm en maat dier oude zangen, maar toch, onberekenbaar is de waardij, die in zulk een bundel arbeidsliederen schuilt. Gelukkig het volk, gelukkig de tijd, waarin het arbeidslied hoog opklimt en de ziel jubelt, over de vreugde, die schuilt in der handen werk. Het geluk vermeert, als in het lied der zangers trilt de toon van den bidder, die vraagt: „Geef, dat ik mfin ambt en beroep zoo gewilliglfik en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen."

Door die levensblijheid komt kleur en fleur, vlottende gang in wat anders dor en stroef is. Zij bant haat en nfid, geweld en onderdrukking uit. Zü verdrijft den wrevel door de dankbare opgewektheid. Zij paart aan den arbeid niet de vloekende verzuchting, maar adelt dien door zegenende toewijding.

Maar de vreugde is verstorven, de somberheid is gekomen, die met zwarte tinten het arbeidsleven overschaduwt! Onze roeping tegenover dit alles kan niet twijfelachtig zün.

Wü zullen niet met een „vroeger werd nog wel anders en langer

Sluiten