Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewerkt" minachtend neerzien op het pogen tot beteugeling van overmatigen arbeidsduur. Wfi zullen er naar streven, dat de mensch als redelfik, zedelijk wezen, als evenbeeld Gods door den arbeid niet worde geknecht, maar zich in het familie- en maatschappelijk leven naar zijne bestemming kunne ontplooien.

Wfi zullen waken tegen afjakkering van ontaarde arbeidsmethoden, die de krachten vroegtijdig sloopen en wij zullen door het geven van invloed aan de vakvereeniging bij vaststelling van arbeidstaak en planverdeeling misbruiken weren.

Wfi zullen ijveren voor maatregelen, die den druk van ouderdom, ziekte, ongeval en werkloosheid verzachten.

WH zullen meer dan tot dusverre waardeeren de goede voorlichting bij de beroepskeuze, en in het besef dat duizenden door verkeerde wilsbepaling in het beroepsleven lichamelijk en geestelijk zfin ten ondergegaan, de leuze „de rechte man op de rechte plaats" zoeken te verwezenlijken.

Wij zullen mee strijden voor veredeling van het beroep, voor betere woningtoestanden; wij, vooraan zullen wij staan in al wat tot afwisseling, tot veraangenaming van den arbeid strekken kan. Wij zullen jagen naar het ideaal, dat weer blijde poëzie kome in het verarmde vale leven van den arbeid.

Maar.... wfi zullen varen laten de illusie, dat door alle deze en andere uitwendige hervormingen de arbeidsvreugde zal worden hersteld. Daarvoor schuilt het kwaad te diep. Het kwaad schuilt in de ziel.

De herinnering rijst aan het woord, dat Prof. He y mans in zijn magistrale rede De toekomstige eeuw der psychologie richtte tot het menschelijk geslacht onzer dagen in zijn geheel: „Steeds snelleren steeds vollediger worden onze behoeften bevredigd, en steeds voelen we ons minder voldaan; hoe overvloediger de weldaden der beschaving ons toestroomen, des te leeger wordt ons leven. Waar is de lekke plaats, die al deze weldaden ongenoten doet wegvloeien, waar de schimmelplant, die al deze zoetigheden doet verzuren, zoodra wij ons gereedmaken ze naar den mond te brengen ?"

Het geldt niet het minst voor de arbeidersklasse. In geen tijd als den onzen heeft de wetgeving voor de verheffing der arbeiders zoo sterk geijverd en toch van wezenlijke zielsbevrediging blijkt minder dan ooit.

Vele zijn de redenen dezer zielestoring. Daar is de zich toespitsende arbeidsyerdeeling, waardoor in ons overhaaste werkleven dreigt als ramp de ontgeestelijking van den arbeid. In het laatste geschrift, dat van zijne hand verscheen, merkte oud-minister T a 1 m a niet ten onrechte op: „ieder, die in de industriëele centra werkt en daarbij niet den arbeider, maar den mensch moet naderen, om zfin

Sluiten