Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer dan oöit, omdat in den gang van ons maatschappelijk leven zooveel is dat onaandoenlijke verkilling brengt en den mensch drijft om eigen meesterschap te boeken, met wegcijfering van het Goddelijk bestier. Omdat de jaren, die komen, zullen zijn jaren van harden arbeid en van menigvuldige opoffering.

Van harden arbeid! Wat nood! — door het geloovig ingaan in de rust, die Christus bereid heeft voor degenen, die eigen ziel niet in het leven hebben kunnen houden, spreidt zich over den aardschen arbeid rijke glans. Dan knellen slaafsche banden niet; dan jubelt de ziel: „Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar ik heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood".

Van menigvuldige opoffering! Niet omdat wij in ziekelijk ascetisme wereldmijding zoeken. Wij weten dat weelde gerechtvaardigd is; daar trilt in de Heilige Schrift een toon van reine levensblijheid, die oproept om vroolijk te genieten van 's Heeren goedertierenheden. Wordt gehandeld over hetgeen den menschenkinderen in hun onderling verhouden betaamt, dan wordt geroemd het geluk van hem, die het goede dezer aarde mag genieten al de dagen zijns levens, dan hooren wij van wijn en most, die het hart des menschen verheugt, van de olie, die het aangezicht blinkende maakt, van harpgezang en tokkelend snarenspel, van bloesemende bloesem, van flonkerenden diadeem, van jaspis en smaragd, van schitterend lijnwaad ■en fijn getweernd linnen, van geurende bloemen, van zingende vogelen, van elpenbeen en cederenhout, van de aarde met haar kleurenspel en bonte pracht, van de aarde, die vol is van de heerlijkheid des Heeren.

De schepping moet worden vervolmaakt,^tot heerlijker staat worden opgevoerd, ten einde van haar zegeningen breede kringen onbekrompen te doen genieten. Edoch, een uitgeput Europa, een verarmd Nederland eischt thans beperking der behoeften en legt menigvuldige opofferingen op. Thans is offeren plicht!

Wat nood ! Valt eeuwigheidslicht op het aardsch genot dan breekt, zelfs te midden van nooden, angst en pijn de stroom der zieleweelde zich baan, dan wordt door deze vergankelijkheid henen gezien naar de sferen, waar de glans niet in duisternis ondergaat en jubileerende stijgt het op: „De jonge leeuwen lijden armoede, maar die den Heere zoeken, hebben geen gebrek aan eenig goed."

Hiermede M. H., acht ik mijn taak om ons sociaal congres by u in te leiden, volbracht

Sluiten