Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begeerte naar finantiëel gewin drijft de Overheid om aan de particulieren de leiding te ontnemen.

Naast de praetische bezwaren tegen de uitoefening van monopolistische bedrijven door particulieren, die aan het gemeentebedrijf het aanschijn gaven, naast den nood der schatkist, die voor het fiscale monopolie deed ijveren, dient nog een factor van gansch anderen aard te worden vermeld De uitbreiding van het overheidsbedrijf wordt begeerd door degenen, die principiëel de particuliere ondernemerswinst veroordeelen en de voortbrengingsmiddelen in handen der gemeenschap willen brengen. Sinds de sociaal-democratie zich allengs in staatssocialistische richting ontwikkelde, werd gevoerd eene krachtige propaganda voor de naasting der bedrijven, die niet zonder invloed bleef. Het overheidsbedrijf op zich zelf, de uitholling van de particuliere onderneming is voor haar een begeerlijk goed.

Vroeger stond zij anders tegenover dit "probleem.

Toen nog het revolutionaire-standpunt overheerschte, toen onverzoenlijke strijd tegen den kapitalistischen staat en al zijn openbaringen het wachtwoord was, werd laatdunkend neergezien op het naasten der bedrijven.

Het felst en het langst is wel de oppositie gevoerd door den cuden Jules G u e s d e, die in den oorlogstijd in het Fransche ministerie zitting had. Deze man, die zijn deelname aan revolutionaire bewegingen meermalen met gevangenisstraf moest boeten, schreef uit de gevangenis in 1883 zijn Services publiés et socialisme, waarin hij zijne partijgenooten bezweert het verkeerd? spoor te verlaten en niet hun hoop te zetten op het scheppen van staatsen gemeentebedrijven. „Eerst de revolutie, dat wil zeggen de algeheele onteigening, en daarna de publieke diensten" — zoo luidde zijn strijdkreet. Door op de uitbreiding van het overheidsbedrijf aan te dringen zou volgens hem uit het oog worden verloren het groote einddoel: de vernietiging der kapitalistische maatschappij.

Zelfs de overname door den staat van spoorwegen en telefoon kon bn G u e s d e geen genade vinden.

Typisch radicaal verdedigt hij het onvervalschte klassenstrijdstandpunt, dat zich tegen de monopoliseering der bedrijven verzet. Elke industrie toch, waarop de staat beslag legt, is bevrijd van de katastrophen, die de particuliere nijverheid kunnen treffen. Bij de particuliere vinden door de wilde concurrentie telkens crisissen plaats, moeten ondernemingen worden gesloten, wordt in breeden kring ellende gebracht, het proletariaat in aantal en verbitterde kracht gesterkt. Wordt de bevruchtende concurrentie uitgeschakeld, dan wordt daarmee aan de revolutionaire actie een onmisbare ontwikkelingsfactor ontnomen. Daarom eerst de revolutie, dan de publieke diensten.

Toen het socialisme nog leefde in deze gedachtensfeer werden de staatsmonopolies met vijandige blikken aangezien. De verhandeling van Max Schippel in het belangrijke boek Monopolfrage und Arbeiterklasse (Berlijn, 1917) geeft dan ook een reeks uitingen, die met de tegenwoordige geestesstemming in schril contrast zijn.

Sluiten