Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het congres te Gotha in 1876 kwam die annexatie van de spoorwegen door den Pruisischen staat ter sprake. Bitter weinig voelen de „Genossen" voor de zaak en in de resolutie wordt gezegd dat met het proclameeren der spoorwegen tot staatsbedrijf voornamelijk de belangen van den klassenen militairen staat worden bevorderd, terwijl door deze inkomsten aan den staat een nieuw overwicht in „volksfeindliehem" zin wordt verschaft.

Een jaar daarop werd in Duitsch socialistischen kring eene heftige campagne gevoerd tegen de door sommigen begeerde annexatie van de brandassurantie. Het rijk kreeg daarmee een niet te controleeren belastingschroef in de hand. Ook zou een groot aantal beambten moeten worden aangesteld; dezen zouden" natuurlijk allereerst worden aangezocht uit de gepensionneerde officieren en onderofficieren en daarmee zou de positie van de militaire kaste wederom eene ongewenschte versterking ontvangen.

Buitengewoon fel was het socialistisch verzet tegen het ontwerp tot instelling van een tabaksmonopolie dat in 1882 door Bismarck bij den Rijksdag werd ingediend. In deze opwindende taal riep Liebknecht de socialisten tot verzet op: „Het Bismarckiaansche staatssocialisme, zoo betoogden wij van den beginne af aan, heeft geen ander doel en kan geen ander doel hebben, dan den arbeiders het dubbele juk van economische en politieke slavernij op te leggen en het wankele absolutisme te stutten. Een blik op het gepubliceerde wetsontwerp tot invoering van een tabaksmonopolie bevestigt naar allen kant deze opvatting. Het ruikt naar leder. Achter iederen regel de helm van den politieagent en de nationale zweep". „Voor de arbeiders staat die heginselvraag bovenaan. Het tabaksmonopolie van Vorst Bismarck is een wapen van het absolutisme; en het verloochent alle democratisch beginsel; het voert de politieke, de economische slavernij in. Geen Duitsch arbeider zal zich laten vinden om voor het linzenmoes eener meer of minder hoog toegemeten afkoopsom mee te gaan met een ontwerp, welks verwezenlijking moet voeren tot de diepste vernedering van den arbeider en het graf der vrijheid zou zijn. Iedere Duitsche arbeider, die een vonkje vrijheidszin en eergevoel in zijn borst heeft, zal met ons uitroepen: Weg met het monopolie! Weg met het Bismarckiaansche staatssocialisme! Leve de sociaal-democratie!"

Die oude tonen stierven weg. Een enkele als Guesde staat nog pal en wijkt geen duimbreed van het oude standpunt. In 1911 kwam op den Franschen partijdag van St. Quentin aan de orde de resolutie van Milhaud, die zich voor eene algemeene confiscatie der spoorwegen verklaarde. Met hand en tand verzette Guesde zich aldus: „Wij zijn niet eene partij van den terugkoop, meer eene partij der onteigening. Daartoe strijden wij om de politieke macht. De terugkoop dient dikwijls alleen de belangen der kapitalisten. Ik begrijp, dat de kapitalisten zich liever heden laten uitkoopen, dan zich later latenl onteigenen".

Op een eenzamen post stond Guesde. Naarmate het revolutionaire standpunt werd verlaten en in staatssocialistische richting koers gezet kwam de propaganda voor staats* en gemeentebedrijf naar voren.

Aan de voorstanders van o verheidsannexatie werd een krachtige steun

Sluiten