Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den opgesteld. De verschillen van rijk en rijk, provincie en provincie, gemeente en gemeente leiden hier tot eene uiteenloopende uitkomst, terwql ook het onderscheiden karakter der tijdsperioden een zeer wisselend aspect van het overheidsbedrijf kan bieden.

Eene belangwekkende proeve tot afgrenzing van dit terrein vinden wij in de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp van 21 November 1903, door Minister Kuyper ingediend. Daarin was opgenomen een afzonderlijke titel over de gemeentelijke bedrijven.1)

In de Memorie van Toelichting wordt de vraag gesteld „of het geraden is aan de gemeente vrijheid te laten om op elk gebied als ondernemer op te treden". En dan luidt het bescheid: „Deze vraag ken naar het oordeel van den ondergeteekende niet anders dan ontkennend worden beantwoord. Geldt het toch een bedrijf, dat een wettelijk monopolie bezit (b.v. door de ten gevolge van den aanleg van leidingen vereischte concessie) of dat feitelijk een monopolistisch karakter draagt {zooals bij veel verkeersondernemingen het geval is), dan kan de grond voor gemeente-exploitatie liggen in de omstandigheid, dat de onderneming in zekeren zin tot den publieken dienst behoort en daarom beter onder rechtstreeksch beheer van het gemeente-bestuur wordt gebracht, of ook in de vrees voor te grooten invloed en macht van een concessionaris.

Betreft het eene onderneming, die voor de ontwikkeling van de hulpbronnen der gemeente van hoog gewicht is, maar die te onzeker is dan dat een particulier ze kan beginnen, dan kan het geraden zijn, dat de gemeente, Kever dan aan een ander geldelijken steun te geven, de zaak zelve ter hand neemt, in het vertrouwen, dat daardoor de welvaart en de draagkracht der ingezetenen in het algemeen zal toenemenIn deze en soortgelijke gevallen valt het algemeen belang der gemeente bq' gemeentelijke exploitatie in beginsel niet moeilijk aan te toonen.

Nooit echter kan het algemeen belang er bij gebaat zijn, wanneer de middelen der gemeente worden gebruikt om aan het vrije bedrijf eene concurrentie aan te doen, die, wegens de feitelijk onbeperkte geldmiddelen waarever de gemeente kan beschikken, niet anders dan doodend is. De wet behoort dan ook de grenzen aan te wijzen, binnen welke het der gemeente geoorloofd zal zijn als exploitante van bedrijven op te treden".

De wettelijke begrenzing van het gebied, waarop het gemeentebedrijf sich mag bewegen, geschiedt dan in een nieuw art. 142bis der Gemeentewet, luidende: „Door de gemeente mogen geen andere bedrijven worden uitgeoefend dan: a. dezulke, waarbij door middel van leidingen, in of boven den grond, eenige stof onder bereik der verbruikers wordt gebracht of hun diensten worden bewezen; b. door instellingen, inrichtingen en ondernemingen ten dienste van verkeer, den landbouw, de nijverheid en den handel, bankinstellingen daaronder niet begrepen".

Ten opzichte van de sub b bedoelde wordt vervolgens in de Memorie van Toelichting nog nader opgemerkt: „Zelf handel te drijven, het landbouwbedrijf uit te oefenen of eene of andere industrie ter hand te

Sluiten