Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwam met zijn origineel voorstel een f i 1 m v e r h u n r-m o n o p o 1 i e met verbod van film-verkoop van staatswege in het leven te roepen. Daarin toch ziet hij het éénige afdoende middel tot bestrijding van de noodlottige gevolgen, welke het sterk ontwikkelde bioscoopwezen onzer dagen uitoefent. Over de doeltreffendheid der hier aangewezen middelen valt te twijfelen, maar principiëele bedenking is naar ons oordeel tegen zoodanig ingrijpen niet te maken.

Op nog een vierde mogelijkheid van ingrijpen dient te worden gewezen. Verkeerde praktijken van ondernemersbonden, trusts en kartels, kunnen «oodanig kwaad veroorzaken, dat de staat geen ander middel ziet om aan de uitbuiting te ontkomen dan het bewerkstelligen van de overname. Een altimum remedium moet dit echter blijven. De bemoeiing van den wetgever moet veeleer worden geleid door deze gedachte: uitwassen van de ondernemersbonden tegengaan en. de gunstige werkingen behouden.

Met overbodig is in dit verband de waarschuwing tegen de overschatting van het hier besproken argument ten gunste van het overheidsbedrijf. In bocialistischen kring vooral valt hier overschatting te constateeren. Het praeadvies van den heer Wibaut voor de Vereeniging voor de staathuishoudkunde en de statistiek verkondigt met groote duidelijkheid het doctrinair-socialistisch standpunt. Zijn praemisse is de al verder om zich grijpende concentratie der bedrijven, die met onweerstandelijke kracht tot het particulier monopolie leidt. De uitbuiting, welke die particuliere machtspositie met zich brengt, legt den staat volgens hem de verplichting op de leiding aan de particulieren te ontnemen om zoo nader bij te brengen de verwezenlijking van het toekomstideaal: de voortbrengingsmiddelen in handen van de gemeenschap, die ook met de leiding der voortbrenging en de verdeeling der producten belast is.

Het is verstaanbaar, dat deze Marxist de concentratie-theorie van den giooten meester zoekt te handhaven. Echter zijn te veel mokerslagen op dit dogma gericht, dan dat de met zoo groote stelligheid verzekerde bedrijfssamentrekking als vaststaande waarheid kan worden aanvaard. Breed zijn de terreinen, waarop het klein- an middenbedrijf in onverzwakte kracht wordt aangetroffen. Breed zijn de terreinen, waarop de trusts en kartels niet bloeien kunnen.

De gang van zaken in oorlogstijd geeft geen recht tot de bewering, dat bet particuliere monopolie allengs sterker wordt. Vele zijn de factoren, die thans remmend op den bloei der ondernemersbonden werken.

Dan ook is onjuist de vereenzelving van trusts, van kartels vooral met monopolies. De onderlinge mededinging wordt door deze niet vernietigd; niet op uitbanning maar op regeling der concurrentie sturen zij aan. *

Het schrikbeeld van particuliere monopolies is dan ook in zijn algemeenheid een! onvoldoend motief om naar overheidsannexatie te streven. Daar schuilt waarheid in het woord van den voortreffelijken kenner der ondernemersbonden, Robert Liefmann, als hij staatsexploitatie be-

Sluiten