Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebruikelijke, voor hun eigen zak bestemde, kaplaken niet ontvingen. Mr. ran Gijn vermeldt daarnevens bet tegen onze Limburgsche staatsmijnen aangevoerd bezwaar, dat staatsambtenaren niet zoo gemakkelijk als vertegenwoordigers van particuliere vennootschappen het Sekt-und-Austernargument bij buitenlandsche handelsvrienden kunnen toepassen. In deze verschillen heeft het overheidsbedrijf zijn eer te stellen, en terecht vraagt Mr. van Gijn of de zekerheid, dat het overheidsbedrijf geen onzuivere middelen gebruikt, het niet voor velen aantrekkelijk zal maken als afnemer of leverancier ermede in betrekking te treden.

In heel de bedrijfspolitiek zal zich het eigen karakter van het overheidsbedrijf toonen. Niet de finantiëele resultaten alleen zijn maatgevend. Het gemeentelijk grondbedrijf beoogt, hoezeer zijn winsten niet versmaad behoeven te worden, toch mede het opdrijven der prijzen van bouwterreinen tegen te gaan en doelmatige stadsuitbreiding in de hand te werken; dit doel zal aan zijn politiek mee leiding geven. Het staatsmijnbedrijf heeft bovenl het particulier niet alleen vóór, dat zijn winsten aan de gemeenschap ten goede komen, maar ook, dat het de eischen eener doelmatige brandstofvoorziening van het eigen land in het oog kan houden, dat het door het tempo van zijn uitbreiding een ongewenschte instrooming van vreemde werkkrachten kan voorkomen. Woningexploitatie door de gemeente (waarmede exploitatie door woningbouwverenigingen veelszine op één lijn te stellen is) zal zich hebben te onthouden van het opdrijven der huurprijzen tot de hoogst bereikbare grens; gelijk in het algemeen — hierop werd boven reeds gewezen — die prijspolitiek van het overheidsbedrijf zich niet uitsluitend door finantiëele overwegingen mag laten bepalen.

Er is een tijd geweest, dat de stelling werd verdedigd, dat uit overheidsbedrijven,, althans uit de zoodanige waar sociale factoren een! rol spelen, winst niet behoorde te worden getrokken. Dit is thans een vrijwel verlaten standpunt; erkend wordt dat de bedrijven] hun producten ook boven kostprijs mogen afzetten. Daarbij moet worden! in het oog gehouden dat bij monopolistische bedrijven het berekenen van een prijs boven den kostprijs materiëel als belastingheffing is te beschouwen, zoodat daarbij de beginselen van belastingheffing niet uit het oog mogen worden verloren. Mfr. Aalberse behandelde verleden jaar dezen eisch uitvoerig in zijn praeadvies over staatsmonopolies voor de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en Statistiek, en wees daarbij met name op het gevaar dat de daaruit verkregen winsten in strijd komen met den eisch: belasting naar draagkracht, — een eisch, die overigens niet aan iedere belasting afzonderlijk, maar aan het geheele belastingstelsel is te stellen.

Het krachtigste argument, waarvoor de stelling, dat winsten uit bedrijven ontoelaatbaar zijn, is bezweken, zijn de eischen dier praktijk, de steeds toenemende behoefte van Eijk en gemeenten aan nieuwe bronnen van inkomsten en vermeerdering van opbrengt der bestaande. Ook zij, die tegen indirecte belastingen in het algemeen gekant zijn aanvaarden daarom de winsten uit gemeentebedrijven; en zijn zelfs voorstanders van fiscale monopolies. Zoo verdedigde de Amsterdamsche wethouder Wibaut

Sluiten