Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kindertoeslag wordt in den regel alleen verleend aan beambten met lagere bezoldigingen. Eene inconseqnèntie is daarin niet te zien. De lagere bezoldigingen moeten geheel of bijna geheel worden besteed aan noodzakelijke levensbehoeften, zoodat wanneer het gezin groeit en het loon hetzelfde blijft op die eerste levensbehoeften moet worden bezuinigd. Bij de hoogere bezoldigingen is het anders. Daar vertoont het budget, althans vergelijkenderwijs, een grootere elasticiteit. Een groot gezin zal zich wel in veel hebben te bekrimpen, maar zonder dat dit van zoo ennstigen aard is, als bij dé lager bezoldigden. Intusschen bestaat tegen doorvoering van den kindertoeslag ook voor de hooger bezoldigden geen bezwaar.

Aan het stelsel van kindertoeslagen) is ook uit het oogpunt van bevolkingspolitiek voordeel verbonden. Echter treedt'dat voordeel hier te lande minder op den voorgrond, en wordt het stelsel minder aanbevolen als middel tot bestrijding van beperking van het kindertal dan wel als een element van een rechtvaardig loonstelsel.

Afgezien van overwegingen van bevolkingspolitiek laat zich een algemeene zorg van overheidswege voor de gezinnen denken. In die richting liggen premies aan, groote gezinnen, moederschapszorg en dgl. Over zulke maatregelen behoeft hier ter plaatse niet te worden! gehandeld; er wordt alleen op gewezen, dat zij voortspruiten uit andere overwegingen als de kindeTtoeslag als deel van het loon, welke wordt bepleit als uitvloeisel van de bijzondere verhouding van de Overheid tot degenen die in haar dienst arbeiden.

Buiten de loonvraag zijn er een reeks van andere punten' in de verhouding van'het overheidsbedrijf en het personeel van het bedrijf, waarin het verschil met het particuliere bedrijf tot uiting komt, en die in den nieuweren tijd in werkliedenreglementen, en in den jongsten tijd ook in ambtenarenverordeningen regeling vinden. Het zou te ver voeren bier die punten alle afzonderlijk te bespreken. In alle onderdeelen van de verhouding tot haar personeel heeft de Overheid zich te toonen een goed werkgeefster, en zich daarvan door commerciëele overwegingen niet ije laten afhouden; zoo ten aanzien van arbeidstijd en Zondagsrust, bij het verleenenj van verlof en toekennen van vacantie; zoo bij de behandeling van hen die door ziekte of blijvende invaliditeit buiten) staat zijn hun arbeid te verrichten, of wier betrekking wordt opgeheven;; zoo bij de verzekering van levensonderhoud aan hen, die wegens ouderdom den dienlst verlieten, en aan weduwen en weezen. En in dat alles trede de Overheid niet op als een die barmhartigheid betracht of gunsten bewijst, maar zij regele de verhouding als een rechtsverhouding. Aan het personeel wordt zekerheid gegeven van hetgeen waarop het aanspraak heeft; daartoe stelle de Overheid verordeningen of andere wettelijke regelingen van den rechtstoestand van haar personeel vast. Gelijk in het particulier bedrijf de patriarchale verhoudingen tot het verledene behooren, zoo is het ook in het overheidsbedrijf. Gelijk de arbeiders in het algemeen, politiek tot mondigheid gekomen, er naar streven ook sociaal tot zelfstandigheid te geraken, en niet van gunst of ongunst afhankelijk te zijn, zoo wil ook hij die in overheidsdienst treedt zich niet

Sluiten