Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. het op voor het overheidspersoneel, dat als regel gaarne bij zyn arbeid het goede wil, maar wel eens belemmerd wordt in zijn streven. Ook vraagt hij, of Prof. D. niet ten onrechte onder christenen zich beroept op den prikkel van het egoïsme.

De heer Ds. J. de Vries (Tilburg) heeft er zich over verbaasd, dat Prof. D. over den socialisatiedrang zoo weinig zegt van principiëelen aard. Is er geen grens, die de socialisatie niet overschrijden mag? De quaestie van de leiding is een zuiver practische en Spr. acht het lang nog niet uitgemaakt, dat die leiding in het overheidsbedrijf noodwendig slechter moet zijn dan in het particulier bedrijf. Komt door den drang der omstandigheden de socialisatie al meer en meer, dan vraagt Spr., of de christen zich daarbij mag aanpassen zonder een bepaalde grens in acht te nemen. Concreet stelt Spr. deze drie vragen: 1°. is socialisatie als algemeen begrip geoorloofd? 2°. is zij theoretisch mogelijk en uitvoerbaar? 3°. is zij practisch mogelijk en gewenscht?

Hierna krijgt de heer Jhr. Mr. A. P. de Savornin Lohman Sr. (Den Haag) het woord voor een „persoonlijk feit", zooals men het in de Tweede Kamer zou noemen. Hij verklaart, dat hetgeen de heer Steketee hem in den mond heeft gelegd in zake de macht van den Staat, niet door hem verkondigd is. Wel heeft hij in den oorlogstijd eens gezegd in de Tweede Kamer, dat de particuliere eigendom geen goddelijke instelling is en de aarde, die ons allen moet voeden, voor ons allen is. Haar opbrengst moet zoo groot mogelijk gemaakt worden; daarop steunt het particulier bezit. Principieel zou Spr. niet zijn tegen landnationalisatie, maar practisch zou hij haar een ramp achten. Voorts meent de heer Lohman even te moeten opkomen tegen de uitlating van den heer Schorer over het werk van ambtenaren. Spr. was tientallen van jaren in Staatsdienst, aanvankelijk op zeer slechte bezoldiging. Hij klaagde daarover nimmer, wijl hij het een eer achtte, te werken in publieken dienst. Dat besef vergoedt veel en is ook veelzins een stimulans bij den arbeid. De fout bij de werklieden in publieken dienst is slechts, dat zij de destinctie niet voelen van te zijn in dien dienst. Algemeen gaat het besef dier distinctie hoe langer hoe meer verloren. Dat besef moet weer terugkeeren, het moet het overheidspersoneel een aanleiding zijn, meer dan anderen te dulden van wie boven hen staan en geheel af te zien van het stakingsrecht.

Thans is het woord aan de referenten voor hun repliek en wel het allereerst aan Prof. Diepenhorst. Deze verdedigde zich tegen de bedenking, dat hij te zeer negatief zou zijn geweest. Zijn referaat kon echter niet anders uitvallen, daar juist de verdeeling van taak tusschen hem en Mr. Rutgers zoo was, dat de referaten zoo moesten worden opgezet. Groot geschil met Mr. R. is er bij Spr> niet; diens betoog zou hij vrijwel geheel voor zijn rekening kunnen nemen. Intusschen blijft Spr. op zijn standpunt, allereerst met name ten opzichte van de fiscale monopolies. Hij wijst erop, dat, als er eenig verschil is tusschen fiscale monopolies en indirecte belastingen, dit verschil ten ongunste van de fiscale monopolies uitvalt. Indirecte belastingen kunnen niet achterwege blijven èn omdat de directe belastingen niet zonder grens kunnen worden opgedreven èn omdat door de

Sluiten