Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de Statistiek terecht herinnerd — is van monopolie niets, letterlijk niets te ontwaren. Waar is het in de textielnijverheid, de spiritusnijverheid, de sigarenfabricage, de machinefabricage, de margarinefabricage ?

Merkwaardig waren ook de andere cijfers, door den Voorzitter der Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en Statistiek in herinnering gebracht: Ons land heeft een aantal levensverzekering-maatschappijen zoo groot als nergens ter wereld. De officieele publicaties doen zien, dat men hier, behalve 57 begrafenisfondsen, niet minder dan 115 levensverzekering-maatschappijen vindt tegen 43 in Duitschland en 27 in Frankrijk.

Bij het hypotheek-bankwezen hetzelfde verschijnsel! In 1912 waren in ons land gevestigd 52 hypotheekbanken tegen 36 in het Duitsche rijk en 13 in Denemarken.

Het is waar op bankgebied — denkt aan de Nationale Bankvereeniging en Rotterdamsche Bank — is een saamvoeging van beheer te ontwaren. Echter draagt die concentratie voor de credietverleening in de provincie te goede vruchten, dan dat men met fulminante bestrijding van een denkbeeldig monopolie naasting mag bepleiten.

Kort saamgevat is de ervaring van het practische bedrijfsleven aldus: breed zijn de terreinen, waarop de trusts en kartels niet bloeien kunnen. De gang van zaken in den oorlogstijd geeft geen recht tot de bewering dat het particuliere monopolie 'allengs sterker wordt. Vele zijn de factoren, die thans remmend op den bloei der ondernemersbonden inwerken.

En ook al bestaan die trusts en kartels, dan nog is de vereenzelviging met monopolies onjuist. De onderlinge mededinging wordt door deze niet vernietigd; niet op uitbanning, maar op regeling der concurrentie sturen zij aan.

Het schrikbeeld van particuliere monopolies is dan ook in zijn algemeenheid een onvoldoend motief om naar overheidsannexatie te streven. Daar schuilt waarheid in het woord van den voortreffelijken kenner der ondernemersbonden, Robert Liefmann, wanneer hij staatsexploitatie betitelt als het plompste middel om de nadeelen der kartels en trusts op te ruimen. De aangevoerde gronden voor overheidsexploitatie zijn alzoo te zwak. En dan hebbe men oog voor de ontzettende nadeelen. Spreker verwacht van den staatsboer, noch van den staatstuinder het noeste werken, het ploeteren van den particulieren werker. Dat komt van den gezonden prikkel van het eigenbelang, dat niet met egoïsme op een lijn mag worden gesteld. Al gaat het te ver, te beweren, dat — zooals Helfferich zeide — de overheidsbedrijven de slachtplaatsen zijn van de motorische kracht der energie, ontkend kan niet, dat de energie er niet tot haar recht komt. En zeide niet Mr. Rutgers in zijn „ethisch" betoog, dat het kenmerk van de democratie niet is een zuinig beheer? Spr. blijft zijn hart trouwens ook vasthouden als hij denkt aan den politieken invloed, die z. i. niet kan worden uitgeschakeld en een grooten omvang zal aannemen. Ook bluft hij handhaven zijn bezwaar tegen de ambtenaren, die als zoodanig niet kozen voor het worstelen en ploeteren, het op en neergaan in het particuliere bedrijfsleven, maar voor het geleidelijk

Sluiten