Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen dient daaraan aanstonds de opmerking te worden toegevoegd, dat de wetgeving, zooals die in de bovenvermelde wetboeken en in dat van 3urgerlijke Rechtsvordering gecodificeerd is, verouderd mag heeten. Vooral aan de procedure kleven gebreken, die er den middenstand dikwijls van af doen zien zijn recht te zoeken. Een proces, ook in de eenvoudigste zaken, die door een paar deskundigen in zeer korten tijd en zonder veel omslag en papiervermorsing zouden kunnen worden besüst, duurt soms maanden, in enkele gevallen zelfs jaren, terwijl de kosten dikwijls zeer groot en de afloop niet zelden onzeker is. Wanneer niet voldaan kan worden aan de veelal strenge bepalingen van het bewijsrecht, loopt een koopman kans dat hem een rechtmatige vordering wordt ontzegd.

Wij zouden het denkbeeld aan de hand willen doen, dat de Overheid naast juristen, ook aan bekwame kooplieden een plaats geeft onder de rechters, die handelszaken te berechten hebben. Het schijnt ons toe, dat daarvoor zeer wel geschikte mannen te vinden zijn, indien men het oog slaat op die kooplieden, die na eerst gedurende een reeks van jaren met energie in hun zaken te zijn werkzaam geweest, zich wat meer rust gaan gunnen en nu dikwijls in organisaties of op sociaal en politiek gebied een

rol spelen. , , ,

Behalve de zooeven genoemde wetten, die voor een niet gering deel ten profijte van den middenstand strekken, mag ook gewezen worden op die vele maatregelen betreffende het onderwijs, het verkeerswezen, de postenj, de verlichting enz., die wel aan het geheele volk ten góede komen, maar waarvan toch de middenstand niet zelden het grootste nut trekt.

Maar afgescheiden nu van die velerlei overheidsbemoeiing, die den middenstand reeds sinds jaar en dag ten goede komt, dient gevraagd te worden of er niet ook speciale maatregelen in het belang van den middenstand van Overheidswege getroffen dienen te worden m verband met de eischen, welke deze tijd stelt.

Hierbij zij op den voorgrond gesteld, dat Overheidsbemoeiing slechts behoort te dragen het 'karakter van het dienen van het algemeen welzijn, het publiek belang. . . .

Standsbevoorrechting is uit den booze, kweekt verbittering, en is feitelijk revolutionair. De Overheid als dienaresse Gods, heerscht over het gansche volk, en moet altijd weer bij haar wetgeving de belangen van dat volk doen wegen. .

Ten aanzien van de nieuw opkomende vormen van productie (waaronder wij ook de distributie begrijpen) heeft de Overheid een strikt neutraal standpunt in te nemen. Als Overheid behoort zij geen voorliefde te hebben, hetzij voor het grootbedrijf, hetzij voor het kleinbedrijf, hetzij voor de coöperatie, hetzij voor den detailhandel van particulieren. Zij mist de kwaliteiten, welke haar in staat stellen te beoordeelen, welke productievorm in de toekomst zal blijken het meest economisch te zijn. Dit oordeel moet aan de vrije maatschappij worden overgelaten, welke wellicht aan al die verschillende vormen waarde zal blijken toe te kennen. Alleen heeft de Overheid te waken, in den feilen strijd, die op maatschappelijk

Sluiten