Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verstaan, dat zij een levenstaak hebben, hun van God gegeven. Zij moeten voorts beter leeren beseffen, dat zij goed onderlegd moeten zijn op het gebied van hun vak in het algemeen, van warenkennis in het bijzonder en daarnaast ook speciaal van administratie. De middenstanders kennen hun eigen wettelijke verplichtingen ook niet en zouden ook niet weten, hoe ze na te komen. Hiermede houdt verband het credietvraagstuk, dat vaak moeilijkheid oplevert. Spr. zou voor de middenstanders wel een soort examen willen, van overheidswege ingesteld, als waarborg, dat de betrokkenen hun zaken behoorlijk kunnen drijven. Ten slotte spreekt de heer Meima ook over de noodzakelijkheid van organisatie, die niet gemist kan worden in verband met de bemoeiing der overheid, in welker voornemen thans een middenstandsraad een plaats inneemt.

De heer A, H. Niewenhuis (Rotterdam) vraagt ook, of de overheid geen taak heeft ten opzichte van hen, die in nering hun broodwinning gaan zoeken, in dien zin, dat een soort examen wordt ingesteld. Spr. vestigt ook de aandacht op die soort middenstanders, die met hun technische taak vaak staan tusschen werkgevers en werknemers. Hij vraagt of hun opleiding goed is en of niet de overheid zich er mede bemoeien moet, dat het middelbaar technisch onderwijs aan billijke eischen voldoe. Bij welken kring, zoo vraagt Spr. verder, moeten deze technische middenstanders zich aansluiten: bij de arbeiders behooren zij toch niet thuis.

De heer J. Schouten (Rotterdam) wil niet debatteeren, wijl nog te veel voor hem in zake den middenstand in het duister ligt, maar slechts een vraag stellen. De eerste stelling van den referent acht hij voorheen de gangbare opvatting onder ons te hebben weergegeven. Maar tegenwoordig wil men overheidsingrijpen mede om het levenspeil der geheele maatschappij omhoog te brengen. Is deze gedachte, zoo vraagt hij, in strijd met de eerste stelling en onjuist? Indien neen, dan ware het wellicht goed de eerste stelling ten aanzien van deze quaestie eenigszins aan te vullen. Voorts vraagt Spr. of er niet veel te veel kleine winkeliers en industriëelen zijn, die dientengevolge goeddeels improductief zijn. Wordt het productieproces niet te duur, blijft er niet te veel aan maat en strijkstok hangen, zijn die overtollige menschen niet schadelijk? Zijn er geen maatregelen te nemen om den arbeid van den middenstand in dit opzicht productiever te maken. Spr. vraagt in verband met punt 13, of de overheid het recht heeft, bepaalde productievormen voor te trekken, zooals b.v. ten aanzien van het bakkerij bedrijf. Mag de overheid door haar maatregelen een bepaalden bedrijfsvorm in het gedrang brengen of moet zij dan liever van haar maatregelen afzien.

De heer C. Smeenk (Arnhem) wijst ook op het teveel aan middenstanders èn in het buitenland èn bij ons. In Hamburg heeft men + 4500 sigarenwinkeliers geteld. Dat beteekent oneconomische distributie. De referent behandelt dat punt naar Spr.'s meening niet voldoende. Hij zou wenschen een concentratie van het bedrijf, b.v. ook ten aanzien van de bakkers, die in onze straten des morgens in veel te grooten getale hun brood aan den man brengen. De heer

8

Sluiten