Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Smeenk bespreekt verder de quaestie der organisatie, waarvan de referent geen gesloten organisatie schijnt te willen maken. Mag de beslissing over de al of niet toelating tot de organisatie overgelaten worden aan de organisatie zelf?

De heer Dr H. W. Smit fs-Gravenland) wenscht te spreken over stelling 18 waarmede hij het geheel eens is. Maar hij vraagt: hoever mogen wij daarin gaan? Het schijnt een teeken des tijds te zijn, dat op terrein van arbeid en middenstand alles zich organiseert. Men kent al een nijverheids-, een arbeiders- en een middenstandsraad. Daarvoor is het publiekrechtelijk karakter noodig. De politieke vertegenwoordiging kan in deze de taak niet vervullen, die vervuld moet worden. Spr. vraagt dan ook, of we niet verder moeten gaan dan het nu reeds bestaande. Is niet noodig een Kamer van Maatschappij, die de drie genoemde lichamen moet. omvatten, een Kamer die op haar terrein de taak van de Tweede Kamer overneemt? De leden dier nieuwe Kamer konden dan naar evenredige vertegenwoordiging gekozen worden uit de huidige en erkende organisaties. Kan ten deze niet door het congres een doel gesteld worden: dat zou een sterke stimulans geven aan onzen arbeid op dit terrein, ook ten bate van den middenstand. Spr. heeft in overleg met den referent deze concept conclusie voorgesteld:

Het tweede Christelijk-Sociaal Congres, gezien het referaat van Mr J A de Wilde aangaande „Overheid en Middenstand ,

gehoord de bespreking naar aanleiding van dit referaat gevoerd, besluit dat aan het georganiseerde leven van de groote groepen der samenleving een publiekrechtelijk karakter moet worden toegekend, L ., , u

spreekt uit, dat het doel dezer publiekrechtelijke ontwikkeling móet zijn een kamer voor sociale en economische aangelegenheden, welke de desbetreffende wetgevende taak van de huidige Tweede Kamer overneemt en wenscht dat de leden dezer Kamer naar het beginsel van evenredige vertegenwoordig uit de erkende maatschappelijke organisaties gekozen worden."

De Voorzitter zegt toe, de concept conclusie bij het. bestuur in bespreking te zullen brengen.

De heer P. Wielinga (Assen) meent, dat Prof. Anema het verdwijnen van den middenstand min of meer in uitzicht heeft gesteld. Liever dan aan die uitspraak sluit Spr. zich aan bij een anderwoord van Prof. Anema, die in het blad „De Christen-Patroon het goed recht van een Christelijke middenstandsbeweging duidelijk erkende. Naar Spr.'s meening drijft de middenstand vooral hierop, dat hii niet werkt met de dommekracht van het kapitaal, maar alleen komen kan waar hij wil door middel van zijn geestelijke eigenschappen. Daardoor is hij voor de samenleving van zoo groote beteekenis. Intusschen heeft Spr. niet begrepen, waarom de Overheid niet beoordeelen kan, welke bedrijfsvorm de meest economische is Hii meent, dat de Overheid wel ter dege kan beoordeelen of het gewenscht is, het kleinbedrijf naast het grootbedrijf te handhaven Ten slotte meent hij er den nadruk op te moeten leggen, dat het voor den Christelijken middenstand nu de tijd is om zijn organisatie

Sluiten