Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. OVERHEID EN LANDBOUW.

Door Dr. H. J. Lovink.

Teen de Voorzitter van het Tweede Sociaal Congres mij vóór eenigen tijd de vraag stelde, of het mij mogelijk was een referaat samen te stellen over de toekomst van onzen landbouw, heb ik die uitnoodiging gaarne aangenomen, omdat zij mij na jarenlange afwezigheid een welkome gelegenheid zoude bieden, dit vraagstuk onder de zoozeer gewijzigde omstandigheden van nabij te bezien.

Intusschen leidden de omstandigheden er al spoedig toe, dat ik geruimen tijd elders moest vertoeven en het zou mij daarom niet mogelijk geweest zijn binnen den mij toegemeten tijd aan het verzoek van den Voorzitter te voldoen, ware het niet dat de heer J. Smid, Referendaris bij de Directie v»n den Landbouw, zich bereid verklaarde mij zijn medewerking te verleenen waarvoor ik hem hier gaarne mijn hartelijken dank betuig.

Uit den aard der zaak was het niet mogelijk alles te behandelen, waartoe het onderwerp overigens ruimschoots aanleiding geeft. Uit dien hoofde worden slechts hier en daar eenige grepen gedaan.

Zoo wordt in bet eerste gedeelte een zeer beknopt overzicht gegeven van eenige voor het doel belangrijke feiten betreffende de ontwikkeling van tiet landbouwbedrijf; in het tweede gedeelte wordt het vraagstuk der be■érijfsvrijheid besproken; in het derde vindt men een «n ander omtrent de taak, welke in de toekomst den Staat wacht; in het vierde en vijfde gedeelte zijn eenige beschouwingen gewijd aan de te verwachten financiëele uitkomsten van het bedrijf en hun invloed op de richting der productie, terwijl tenslotte eenige conclusies volgen, welke bij de mondelinge bespreking als leiddraad kunnen dienen.

I.

De belangrijkste onderdeelen van den Nederlandschen landbouw zijn akkerbouw en veehouderij. Daarnaast is, vooral in de laatste halve eeuw, de tuinbouw op den voorgrond getreden. De boschbouw is van weinig beteekenis.

Van ouds heeft in ons land de veeteelt eene belangrijke rol gespeeld, als g#volg van de gesteldheid van den bodem. In het laatst der 18e en het begin der 19e eeuw zien wij tengevolge van de veepest en de hooge graanprijzen eene verschuiving van de veehouderij naar den akkerbouw. Zoo werd in dien tijd o.a. Groningen van eene veehoudende eene akkerbouwende provincie.

Omstreeks het midden der 19e eeuw kon Nederland nagenoeg in znn eigen behoefte aan broodgraan voorzien. In de tweede helft der 19e eeuw werd dit anders.

De bevolking nam toe. In plaats van* roggebrood, waarvan wij de grondstof zelf verbouwden, kwam tarwebrood meer op den voorgrond. Tengevolge van de lage graanprijzen in de 80er jaren, ging de graanbouw

Sluiten