Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

booging. Zulk een jacht is roofbouw op het kapitaal. Verder zeide spr., dat de zoo zeer gesmade indirecte belastingen, geen ongelijken druk op de bevolking veroorzaken. Ten slotte vroeg hij, in verband met de 4de stelling der samenvatting, of niet gestreden moet worden tegen achterlijke organisatorische toestanden in het landbouwbedrijf.

De heer Ds. H. C. H o g e r z e i 1 (Naai den) betreurde het, dat niet meer landarbeiders in de vergadering waren. Naar aanleiding der voorlaatste alinea op pag. 129 van het referaat vroeg hij, dat 't toch zeker niet de meening van den referent was, om — zelfs bij nog verdere stijging der productiekosten — de loonen der arbeiders te verlagen. De arbeider moet behoorlijk kunnen leven. Verder merkte hij op, dat de referent 't niet eens schijnt te zijn met den heer F. M. Wibaut, n.1. waar deze de steden door inrichting van een eigen landbouwbedrijf zoo onafhankelijk mogelijk wil maken van het platteland. Toch is 't gewenscht, niet geheel afhankelijk te zijn en Spr. vroeg, of 't niet mogelijk is, dat er samenwerking komt tusschen de arbeiderscoöperaties en -vereenigingen in de groote steden en die op het platte land, zoodat de laatsten landbouwproducten leveren aan de eersten. Ware dit contact er geweest, dan zou voor de arbeiders in de groote steden de toestand makkelijker zijn geweest. De voorziening der andere groepen van de bevolking zal nog werk genoeg voor den handel laten. Toen Spr. predikant in Smilde was, en daar een te veel aan arbeidskrachten was, (waardoor de loonen werden gedrukt), heeft hij er toe aangespoord, dat de arbeiders, die geen werk in de fabrieken konden vinden, landbouwarbeid zouden gaan verrichten. Dat is geschied en het gevolg is geweest, dat de loonen niet daalden, en dat verschillende arbeiders hun eigen land kregen.

De heer J. A. Knetsch (Lisse) merkte op, dat de referent over „hooge graanprijzen" heeft gesproken, doch niet heeft aangegeven, wat hooge prijzen zijn. Vermoedelijk bedoelde referent de prijzen, die de internationale graanmarkt oplegt. Door de abnormale omstandigheden zal de Nederlandsche graanbouw echter niet kunnen concurreeren met het buitenland. Toch meent ook de referent, dat onze graanproductie zal moeten worden opgevoerd. Doch hoe dan ? Door lage loonen en lage productiekosten komt men er niet. Buitenlandsche aanvoer op onze markt bemoeilijken of verbieden zal ook onmogelijk zijn. Toch zal er wat moeten geschieden, want zijn de voorraden weer aangevuld, dan zal de graanbouw hier niet loonend meer zijn, en dreigt dus vermindering der productie. Spr. meende, dat de referent te veel rekening heeft gehouden met de graanbouw alleen.

Stelling IV der samenvatting opent geen perspectief. Volgens Spr. zijn de vooruitzichten voor de vlas- en aardappelbouw gunstig, evenals die van verbouw van conservenproducten, vooral met 't oog op export. Ook de vooruitzichten voor den verbouw van landen tuinbouwzaden schijnen zeer gunstig. Wat de overheidsbemoeiing betreft, deze was er reeds voor den oorlog, al was zij meer indirect. Geheel zich terugtrekken moet de Overheid zeker niet doen.

Ten slotte merkte hij op, dat er wisseling is tusschen de arbeiders in handel en industrie en die in het landbouwbedrijf. Het achterblijven der sociale maatregelen in het landbouwbedrijf, bij die in

Sluiten