Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om daarin belang te stellen, de school legde nog beslag op onzen tijd. — Maar als wij nu de acta naslaan, dan bewonderen wij de vooruitstrevendheid van het oudere geslacht, dat in den tijd, toen de vrouwenquaestie pas bestond, toen met name de Christelijke vrouw nog veel minder medeleefde, met zulk een wel voorbereid, en ook goed ten uitvoer gebracht plan voor het voetlicht kwam. Wat de brandende vraagstukken waren, dat heelt het prospectus dezer vergadering U reeds getoond, men handelde over het zedelijkheidsover het drankvraagstuk, men besprak de eischen, die de Charitas, de Christelijke barmhartigheid aan de Christus-belijdsters stelde, men wierp zich midden in het practisch leven, aangevuurd door het diep besef, dat er véél goed te maken, en met 's Heeren hulp nog veel te redden viel.

Thans is dat alles zoo heel anders geworden. Waren de Christenvrouwen op bovengenoemd terrein, —hoe kan het ook anders?—, de baanbreeksters, emancipeerden zij zich daar met bewonderenswaardige snelheid, de vrouwenbeweging bleef haar vreemd, en van het werken der voorstandsters dier beweging, die toen in haar eerste optreden aller oog op zich vestigden, hielden zij zich verre. Dit was niet te verwonderen. Want al waren furies als Mrs. Pankhurst en haar aanhang van militante suffragettes in ons nuchter land gelukkig onbekend, het valt toch niet tegen te spreken, dat men toen ook hier, zelfs waar men 't recht aan zijne zijde had, afstootte door het onvrouwelijke, het o verdrevene, het onnoodig-heftige in woorden, geschriften en eischen.

De Christen-vrouwen konden zich in die omgeving niet thuis gevoelen, vooral niet omdat zij zich daar ook meermalen in hare heiligste gevoelens zouden hebben gekrenkt gezien.

Deze toestand is jarenlang stationnair gebleven, de enkelen onder onze zusters, die wel vooruit wilden, die vroegen om kiesrecht, om verbetering der huwelijksvoorwaarden, om betere bescherming der vrouw op arbeidsgebied, die een universitaire opleiding begeerden, zij konden de groote massa niet mede krijgen, met veelal te groote angstvalligheid hield men aan het oude vast. Maar eenige jaren geleden kwam gaandeweg de kentering. Door de actie der verschillende neutrale vrouwenvereenigingen, bleek het ten slotte voor de Regeering noodig zich uit te spreken, en — al vonden die vereenigingen, dat zij al zeer weinig vorderden, van onzen kant zagen velen met bezorgdheid den nieuwen koers onherroepelijk naderbij komen; maar rekenend met onzen conservatieven landsaard waande men zich nog vele jaren zeker. Tot op eens in November van het vorige jaar de Regeering met toezeggingen kwam van een zoo vér reikende strekking, dat wij ons nu plotseling voor de noodzakelijkheid zien geplaatst de vrouwen van Christen huize mobiel te maken, opdat zij, wanneer de plannen verwezenlijkt zijn, ook terstond hare plaats met eere en kennis van zaken zullen kunnen innemen.

Nu moge men hierover gunstig of ongunstig oordeelen, men moge er vurig belang in stellen, of er z. a. een onzer Kamerleden dit eens uitdrukte, ongematigd onverschillig tegenover staan, men zal den toestand moeten aanvaarden zooals hij zich thans voordoet, en afzijdig zal men zich niet kunnen houden. Echter beoogt deze ver-

Sluiten