Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschied. Alleen in de mate, dat wij gevoelen zelf barmhartigheid te behoeven, kunnen wij anderen bijstaan in hun nood, zooals zij, die diep lijden zelf doormaakten, het best troost kunnen bieden.

Hier ligt zeker wel in de eerste plaats de taak der vrouw.

Het zal wel zoo zijn, dat de groote gevoelens, die het hart bewegen, zoo oud als het leven zelf zijn; grooter dan de uitingen van haat en afgunst, die de eerste menschen van God den Schepper deden afwijken, is zeker ook het van God den Verzoener in het hart gelegde teeken der terugwinnende liefde, de barmhartigheid, terwijl het herscheppende licht des Geestes tot vernieuwing dringt.

Wij zien in de eerste Christengemeente den zin der barmhartigheid krachtdadig ontwaken, wij hooren van vrouwen, diep bewogen van hart, die in navolging van Christus, Hem in daden belijdend, hare taak volbrengen onder de armen. Wij lezen van een Tabitha, of Dorcas, wier naam thans nog terug te vinden is in menige vereeniging van liefdadigheid. Welk een kracht en gloed zijn er van zulke vrouwen in dienst der barmhartigheid uitgegaan.

We lezen van vrouwen in de Chr. kerk, van een Catharina van Siena, van een Elisabeth van Thuringen en de legende weeft nog tal van heerlijke symbolische sproken om haar liefdewerk.

Maar meer en meer komt het in het liefdewerk tot organisatie, ziet men, dat door samenwerking alleen, versnippering en verspilling van krachten kan worden voorkomen, en dat zoo alleen grootere dingen kunnen worden bereikt.

Tot deze ontplooiing geraakt men echter eerst door veel ervaring.

In de middeneeuwen trekt men zich in den dienst der barmhartigheid nog terug uit het volle leven; in de vlucht uit de wereld zoekt men het heil voor de ziel. De vlucht uit de wereld, niet hare beheersching is de opgaaf van den christen; sterven is beter dan leven, het streven is daarop gericht het lijden, hier en hiernamaals te ontkomen om de zaligheid te verwerven. Maar dit ééne wordt ook gezocht met een ijver, een opoffering van alles, zooals het in geen anderen tijd gevonden wordt.

De intrede in de een of andere orde scheen de meest directe weg tot den Hemel.

Er werden dus zooveel mogelijk kloosters gesticht om veel van deze toevluchtsoorden te- bezitten.

Toen aan Otto van Bamberg verweten werd, dat hij te veel kloosters stichtte, was zijn antwoord: „Deze wereld is een verbanningsoord, daarom hebben wij behoefte aan vele tehuizen en toevluchten. Als degenen, die in de wereld zijn, door roovers worden overvallen en half dood geslagen, zullen zij ervaren, hoe goed het is als de hulp nabij is".

In de kloosters wijdden monniken en nonnen zich aan gebed, meditatie, maar ook aan verpleging, aan onderwijs, maar daar niet allen kloosterlingen kunnen zijn, zien wij hoe het kloosterleven wordt uitgedragen in de wereld, door het prediken en beoefenen van ascetisme, afstand doen van bezit, het zich geven in den dienst der armoede, het brengen van offers.

De vroomheid der middeneeuwen beweegt zich nog om deze ge-

Sluiten