Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ook in de middeneeuwen de vrouw reeds deel nam aan het werk der dienende lietde, is, dat hij een schaar opgeleide vrouwen bereid maakte om te worden uitgezonden, waar de nood haar riep, niet gebonden aan eigen klooster; geschoolde krachten voor alle takken van liefdearbeid.

In tegenstelling met de middeleeuwen krijgt nu de arbeid der vrouw de overhand, daarom is deze tijd voor ons van belang.

Als Vincentius er op wijst hoe in vroegere tijden diaconessen bestonden en het ambt langzamerhand verdween, zegt hij: „Nu heeft God eenige vrouwen er toe geroepen, moeders te zijn van verlaten kinderen, leidsvrouwen van hospitalen, bedienaressen der uitdeelingen." . . .

En nu leeren we zien, dat het werk der barmhartigheid niet is gelegen in uiterlijken vorm, maar in de gesteldheid des harten. Daarom stelt Vincentius aan zijn zusters den hoogen eisch van heiligmaking; zij zijn verplicht innerlijk en naar buiten een even rein en deugdzaam leven te leiden als de nonnen in de kloosters, maar zij zijn geroepen gebed en meditatie te verlaten ter wille van hun dienst, dat is naar de uitspraak van Vincentius: „God dienen om Zijn zelfs teil."

Ongewoon snel breidden zich de verschillende stichtingen uit van de Confrérie de la Charité.

Bij den dood van Vincentius in 1660 waren er reeds 28 stichtingen van les filles de la Charité, die voor de revolutie stegen tot een aantal van 400.

Meest van buiten komen de meisjes, maar tot flinke arbeidsters worden zij opgeleid door Mevr. le Gras. Uhlhorn deelt ons mede, dat zij de zieken in de hospitalen verzorgen, zij worden tot moeders voor de vondelingen en weezen, zij zoeken de verdoolden op om hen weer op den rechten weg te leiden, zij brengen troost zelfs in het bagno der galeislaven, op de slagvelden zijn zij behulpzaam en overal arbeiden zij met die opofferende liefde, die bereid is het eigen leven te geven.

In het bijzonder trekt onze aandacht de zorg voor de vondelingen, die vooral in de Romaansche landen zoo noodig bleek. Alleen Parijs telde toen jaarlijks 400 vondelingen, die werden ondergebracht in la Couche. Daar leerde men al de ellende kennen, die deze kinderen hadden door te maken, verminkingen, sterfgevallen voor en na.

De kinderen werden tot Madame le Gras en hare zusters gebracht en ten slotte stichtte de regeering het Hópital des enfants trouvés.

Zien wij reeds in de 17de eeuw de vrouw in de Roomsche kerk zulk een werkzaam aandeel nemen in de openb.are liefdadigheid, zien we om en in de t tijd van Vincentius ook sporen daarvan in de Prot. kerk, in de Ver. van les filles de Sédan en les Dames de la Rochelle, toch komt dit eerst veel later bij de Protestanten tot h sx ix i* rö ciit •

Het eerst ontplooit zich deze werkzaamheid in de armenzorg, maar wij weten dat Louise Scheppler. de getrouwe dienstmaagd van Oberlin reeds in 1779 haar eerste kinderbewaarplaats begon, evenals de vrome vorstin Pauline von Lippe Detmold; totdat Amalia SieveJcitig, opgewekt door den ijver der zusters van barmhartigheid, zelf regelen schiep voor een nieuw zusterambt, naast het reeds bestaande.

Sluiten