Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestendigd." Waar de uitleving der nieuwe beginselen op neerkomt, zien wij in de verklaring van ons eerste vrouwelijke 2e Kamerlid, Suze Groeneweg: „Wij zullen trachten zonder geweld ons doel te bereiken en de mogelijkheid is er; maar zoo niet, dan met onze volle kracht er op los."

We zien het nog tragischer in de bolsjewistische verhoudingen op sexueel gebied tusschen man en vrouw, die in revolutionaire kringen ingang vonden.

Maar daartegenover gevoelen wij, dat ook deze Samaritaansche een ziel heeft, die misschien met een vraag, die voor haar over zijn persoon beslist op Jezus wacht. En als Zijn Geest ons nu zendt naar haar bron om haar te wijzen op haar. verhouding tot God en wij hebben onze talenten in zweetdoeken begraven, terwijl andere vrouwen die hebben ontwikkeld, zijn wij dan niet ontrouw? Als wij nu niet om Zijnentwil en met Hem in het publieke leven gaan geven, zal 't dan niet eenmaal tot ons luiden: „En gij hebt mij niet gediend?"

Geachte Vergadering! Ik weet evengoed als gij, dat de ouders om ons heen, die om een zeer waarschijnlijk getal te noemen, in 1919 ongeveer 6000 meisjes op de H.B.S. en ï 1500 op 't Gymnasium zullen hebben, dit zullen doen om heel andere redenen, dan om het ongeloof te bestrijden. Maar als bij deze meisjes er maar enkelen zijn, die door haar studie God verheerlijken, dan zijn de baten daarvan, voor 't publieke leven, groot. Met de meisjesopvoeding zijn wij er nog niet. Voor 't beroepsleven niet en evenmin voor de algegemeene en wetenschappelijke ontwikkeling. Men leze hierover 't laatste hoofdstuk van Bavinck's boek maar eens ernstig na. Toch was 't feit, dat in 1872 de Universiteitspoort in Nederland voor eenige geestdriftige meisjes openging, op zich zelf geen ramp, integendeel, het is vijf en veertig jaar reeds een zegen voor menige jonge vrouw geweest, die door de colleges, daar bijgewoond, zelfstandig wetenschappelijk leerde werken en door de universiteit in het publieke leven een plaats kon verwerven, die haar in een onafhankelijke sociale positie bracht, welke haar geestelijk ook meestal bevredigde.x)

Er is en er wordt mooi werk gedaan door universitair opgeleide vrouwen en daarin komt de vrouw menigmaal geheel tot haar recht, vooral als dokter. Dit is haar een groote voldoening na de zware studie.

Verleden jaar overleed één onzer vrouwelijke artsen op 43 jarigen leeftijd, overwerkt, zooals een harer patiënten in een dagblad „In Memoriam" schreef. Dat overkomt ook menig manlijk arts. 't Bijzonder treffende in 't bedoelde „In Memoriam" ligt daar niet in, maar hierin, dat die patiënte schreef: „dat zij ons niet meer zal helpen met haar kunde, noch ons bemoedigen met haar altijd vriendelijken glimlach, kortom dat wij haar steun in moeilijke oogenblikken moeten missen. Die lieve oogen in dat zachte gelaat, zij zullen ons niet meer sterken in die momenten, waarop wij daaraan zoo groote behoefte hebben."

i) Zie voor gegevens hierover liet Vrouweujaarboakje 1919. Uitgave Nat. Bureau voor vrouwenarbeid, 's-Gravenhage.

Sluiten