Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

manieren uitgestorven. Wel is er op 't oogenblik een critieke toestand onder de afgestudeerde meisjes. Zij meenen, dat er iets niet in orde is en voelen zich onbevredigd. Is de maatschappij er dan nog niet rijp voor ze te ontvangen? .

Mej. Kleyn antwoordt, dat er nog wel goede uitzonderingen, zijn op de onvrouwelijke meisjes, maar de meeste meisjes maken den indruk, na coëducatie, dat ze, als vrouw, voor haar vrouwelijke taak, nog niet klaar zijn. Een echt vrouwelijk meisje Uijft vrouwelijk, niettegenstaande alles.

De maatschappij is wel klaar om de gestudeerde vrouw te ontvangen, maar maatschappelijk schijnen de afgestudeerde vrouwen zelf er nog niet klaar voor te a\jn, een vrouwelijke taak te aanvaarden.

Op deze discussie volgde de inleiding over

DE VROUW EN HET GEZINSLEVEN door Mevrouw van Hoogstraten-Schoen. Hooggeachte Toehoorderessen.

Het is nog zoo heel laaig niet geleden — 't Was in een der oorlogsjaren dat een der Belgische aalmoezeniers mij uitnoodigde om öp

een avond in dé kerk-barak rap de troostelooze, eüldelooze heidevlakte van het kamp van Zeist voor de geïnterneerde Belgische Soldaten te komen spreken. Een der dingen, die maji dien avond het meest troffen, was niet die zaal, stampvol met menschen, die met de grootste aandacht luisterden naar een Evangelie, dat ze nog nooit gehoord hadden, maar wel de woorden van den aalmoezenier, waarmede hij als 't ware zijn Evangelieverkondiging inleidde. „Mannen" — zeide hij — „ik kom je vanavond over iets zeer 'kostbaars vertellen, over iets zeer moois — Jullie weet wel, dat de dierbaarste, waardevolste bezittingen, die We hebben, dat we die niet in onze haaden kunnen nemen, dat we die niet zien kunnen. Als je vrouw 1h<uis je Het merken, dat ze van je hield, als de Vroohjke lach van je kindertjes schalde door het vertrek, als jé binnenkwam, dan voelde je daar 'binnen dn je hart, hoe rijk je was, en welk een groote bezitting je toebehoorde en dat je deze schat met die van geen tfeoning zoudt willen tuilen".

Óver die woordö» heb ik nog dikwijUs nagedacht, als jfc muzelve rekenschap afvroeg van de beteekenis van het gezin. Ik heb verleden gelezen, hoe iemand schreef over het woord „moeder". Dat woord — zeide hij — is als een psalm, een rustig madrignaal, een troostvol lied. Ik neem zijne woorden over en tzeg: „Het woord „gezin" is als een psalm een rustig madrignaal, een troostvol lied. Het heeft den mensch sterk gemaakt als een held, zelfbewust als een koning en blij «Je een kind. Vanaf dat de Spreukendichter baar bezong in zijn lied, hebben millioenen en millioenen vrouwen haar teven besteed rara die kostbare wijkplaats te vormen en te befcohutten. Ik zou ook haast mets zoo waardevols en eerbiedwaardigs weten op deze «kwijls zoo duistere aarde, als het Mjde, gelukkige gezinsfeven van een man ™ *reuw die elkaar liefhebben. Herinnert ge u, hoe mooi Setoa Lagerlöf ove# het gezin schrijft? Ik haal het u even aan, want beter kan men êr haast

Sluiten