Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouwen. Wij moeten de ontredderde maatschappij gaan brengen, datgene wat alleen wij vrouwen haar geven kunnen: vrouwelijke hulpe.

Als wij dat niet doen, als wij, nu de maatschappij onze hulp inroept en wij dus meer dan ooit vroeger aan het publieke leven zullen deelnemen, onzen vrouwenaard gaan verloochenen, het gezinsleven gaan verwaarloozen, de dienende liefde en de volgzame lijdzaamheid gaan minachten, als wij zouden prijsgeven wat Petrus noemt: „den zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God", dan zullen wij de maatschappij niet alleen géén hulpe brengen, maar haar ontreddering verergeren, en tevens onze droeve en donkere wereld berooven van den glans van een van Gods schoonste gaven.

Die gave Gods is ons toevertrouwd, ons, vrouwen.

En die gave is wel verschillend, maar waarlijk niet minder dan de gaven, waarmee God den man gesierd heeft.

Zeker, God heeft ons anders geschapen en toegerust dan den man. Doch daarin ligt niet onze zwakheid, maar integendeel j uist omdat God ons aldus schiep en aldus toerustte, onze kracht. Zwak staan wij alleen, zoo wij dwazelijk pogen den man na te doen. Want dan komt uit, wat wij niet kunnen, waarin wij gebrekkig zijn, waarin wij falen.

Maar sterk zijn wij, zoo wij de wijsheid van onzen Schepper vertrouwen, en alleen die kracht gebruiken en ontwikkelen, die Hij ons verleend heeft. Als wij onszelf willen zijn; dankbaar, tevreden en gelukkig, dat wij vrouwen mogen zijn, en als vrouwen, met onze eigen, door Hem ons geschonken vrouwelijke gaven, Hem mogen dienen in allen arbeid, waartoe Hij ons roept.

Er is een treffende tekst in den Bijbel, waarin God zelf de gave die Hij de vrouw schonk het hoogste recht doet wedervaren.

Als God ons zeggen wil, hoe teeder Hij troosten kan, Hij, die toch onze Vader is, zegt Hij: „Als een, dien zijne moeder troost, alzoo zal ik u troosten." Niet zooals een vader, maar als een moeder troost God. Want in dit opzicht is de moeder meer dan de vader, — de vrouw meer dan de man.

Een kind dat verdriet heeft gaat niet naar vader, maar naar rroeder om getroost te worden. Een kind dat verlegen of bang is, schuilt bij moeder, niet bij vader. Het kind beredeneert dat niet, het kind voelt dat juist en zuiver. Het kind voelt het helpend, troostend,, opbeurend karakter der vrouw.

Is dat niet precies, wat de maatschappij thans doet ? Ze is krank, bang, ongelukkig. En nu strekt ze de handen uit om ons, vrouwen, hulp te vragen.

Laten we tot haar uitgaan, niet met mannen-idealen en mannenarbeid, maar als moeders, met" harten vol erbarming, met handen bereid en bekwaam om te helpen.

Maar veel meer nog dan als vrouwen hebben wij als Christenvrouwen een roeping tegenover de noodlijdende maatschappij.

De wereld, die wij, vrouwen, het eerst aan de zonde en daarmee aan de ellende hebben overgeleverd, heeft God alzoo lief gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon voor haar gegeven heeft.

Christus heeft ook onze schuld verzoend, en de vloek, die mede

Sluiten