Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zeide: „Als vrijen en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God".

Zoo willen ook wij, Christenvrouwen, de maatschappij ingaan.

In het volle bezit van onze Christelijke vrijheid, die wij ons door geen remmend conservatisme ontrooven laten, maar die wij ook tot geen prijs willen uitruilen voor de valsche vrijheid der revolutie; — in heilige vreugde, dat God ons roept tot nieuwen arbeid en nieuwe ontplooiing van gaven en krachten, die Hij zelf ons inschiep.

Maar ook in het diepe besef vau onze verantwoordelijkheid, om, als vrijgemaakte Christenvrouwen, nooit anders te begeeren of te bedoelen, dan, gedrongen door de liefde van Christus, in de maatschappij Hem te dienen. , .

En waar wij in deze, ook voor ons, vrouwen, zoo beteekenisvoiie tijden het groote voorrecht hebben, geregeerd te worden door een Koningin wier hoogste bedoelen het is, als Christenvrouwe eene Hulpe te'zijn voor haar volk, — laten wij ons dan eendrachtiglijk scharen rondom Haar troon, en op de noodkreet van het maatschappelijk leven: „Kom over en help ons", dit antwoorden met de bede van Haar en ons heerlijk Wilhelmus:

„Wie vroom begeert te leven

Bidt God nacht ende dag, Dat Hij mij kracht mag geven,

Dat ik u helpen mag".

De presidente dankt de spreeksters en stelt voor de samenkomst te sluiten met het zingen van het laatste vers van den Avondzang, waarop de vergadering staande aanheft:

O Vader, dat Uw liefd' ons blijk'.

O Zoon, maak on* Uw beeld gelijk; O Geest, zend Uwen troost ons neer; Drieeenig God, U zij al d'eer.

Sluiten