Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE DAG

(Morgenvergadering).

Referenten t Mej. H. W. Crommelin en Prof. Dr. H. Bavinck. DE VROUW IN HET BEROEPSLEVEN.

Door Mej. H. W. Crommelin.

Indien het mogelijk ware dat iemand de laatste 50 of 60 jaren slapend had doorgebracht en nu in eens in onze hedendaagsche samenleving ontwaakte, hoe zou zoo iemand zich verhazen. Zich verhazen over velerlei: over onze verbeterde techniek: onze telefoon, onze vliegmachines en auto's, ons electrisch licht, ons versnelde verkeer (dé achteruitgang door den corlog een oogenblik buiten beschouwing latend), maar toch zeker niet het minst over de veranderde positie dier vrouw. Hij zou baar die vroeger zich meestal bewoog binnen den' engen kring van haar eigen huisgezin, vinden overal op de markt des levens: in de fabriek, het bureau, de academische gehoorzaal; hij zou haar zien bekleeden allerlei betrekkingen die men vroeger als van zelf sprekend alleen aan mannen toevertrouwde. En aan dien omkeer in de positie der vrouw zou hij zich veel moeilijker kunnen aanpassen dan aan de verbeterde techniek van het leven. Want het laatste geldt meer de uitwendige zijde van ons bestaan, het toelaten van de vrouw op het terrein van het openbare leven eischt een omkeer in ons denken, in onze wereldbeschouwing, zoowel voor den man als voor de vrouw zelve.

En hiertoe is men niet zoo dadelijk bereid. Men wil zich eerst bezinnen. Ook onder ons die niet geslapen hebben — ook niet in overdrachtelijken zin — maar die de laatste tientallen van janen hebben meegeleefd, die zelf hebben meegewerkt, bewust of onbewust aan het proces der verandering, ook onder ons zijn er velen die zich eens willen bezinnen eh zichzelven en elkander willen afvragen hoe wij toch staan tegenover de kwestie van de vrouw en het beroepsleven en de verschillende nevenvragen die zich als vanzelf hierbij voordoen. Ik denk hierbij aan de kwesties van het vrouwenloon, de vakorganisatie en den arbeid der gehuwde vrouw.*)

Ik geloof dat dit het doel is, dat het Voorbereidingscomité van dit Congres zich voor oogen stelde en waartoe het mij uitnoodigde om deze belangrijke punten in uw midden te behandelen. Wij willen onszelf afvragen hoe wij moeten staan tegenover deze beweging, of wij er in mede moeten' loopen in steeds versneld tempo, of wij haar als lijdelijk toeschouwer moeten

*) Over den arbeid der gehuwde vrouw zal ik z?er weinig zeggen, omdat ik weet, d«t Prof. Bavinek dit onderwerp behandelt.

Sluiten