Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iectueele Trouw die eea betere opleiding heeft genoten. Zij moet weigeren hare krachten te geven, daar waar zij voor denzelfden arbeid een lager salaris ontvangt dan de man.

Men kan het aan de economisch zwakke, slecht opgeleide vrouw niet zoozeer kwalijk nemen dat zij arbeidt voor een honger loontje waarvoor een man zou bedanken. Zij, of hare moeder, een arme weduwe of hare broertjes en zusjes, die nog niets kunnen verdienen, hebben dit hongerloontje zoo noodig. Men kan het haar niet kwalijk nemen en toch bestendigt zij een verkeerden toestand.

Maar ouders, die meer bemiddeld zijn, die kunnen kiezen voor hunne dochters, moeten weigeren hen naar betrekkingen te doen solliciteeren, waarbij zij als goedkoopere arbeidskracht dienst doen. De concurrentie moet eerlijk zijn. Stelt men den arbeid van eene vrouw niet genoeg op prijs om haar hetzelfde loon te geven als aan den man, dan stelle men haar niet aan. Geen fier, onafhankelijk meisje moet onder de markt willen werken en geen fiere onafhankelijke ouders moeten hierin toestemmen. Zij komt dan op, niet alleen voor zich zelve, maar voor geheel het vrouwelijk geslacht, ook voor de economisch zwakkeren. Gelukkig zijn er voor goed opgeleide meisjes een aantal betrekkingen die gelijk met den man gesalariëerd worden. Daar kunnen zij hunne krachten geven.

Indien deze gedragslijn meer algemeen werd gevolgd en men met een geringere bezoldiging geen academisch gevormde of op andere wijze goed opgeleide meisjes kon krijgen, dan zoude een van tweeën moeten gebeuren: Of in vele plaatsen werden de vrouwenloonen herzien of men zou geen vrouwen meer aannemen.

Ik geloof, dat in de meeste gevallen de loonen zouden worden herzien. Maar als de vrouw hier en daar geweerd werd, lijkt mij dit toe niet zulk een overwegend bezwaar te zijne Iets wat kunstmatig in stand moet worden gehouden is meestal niet waard om te blijven bestaan. Waar de vrouw niet eerlijk met den man kan concurreeren, daar ruime zij voor hem het veld. Het zal waarschijnlijk toch in die beroepen zijn waar zij krachtens haar aard minder geschikt voor is. Ik vind het volstrekt niet noodig of wenjschelrjk dat de vrouw alles doet wat de man doet, maar als zij het doet dan moet zij gelijk betaald worden.

Als een middel, dat vooral voor de economisch zwakkeren krachtig kan werken, noem ik de aansluiting bij de vakorganisatie. De economisch zwakke kan niet altijd werk weigeren, omdat het loon te gering is. Zij kan niet altijd gaan daar waar zij weet dat de toestanden beter zijn. Voor haar ligt de weg van vakorganisatie open.

De vakvereeniging kan dikwijls verkrijgen wat het individu niet kan bereiken. Alleen die voelen voor den verhoogden loonstandaard van vrouwenarbeid dringen er dan ook op aan, dat de vrouw veel meer dan tot nu toe tot de vakvereeniging toetrede. Deze stem klinkt ook krachtig in de oorlogvoerende landen door de vrees voor de concurrentie van de lagere loonen der vrouw.

In ons land zijn nog zeer weinig vrouwen in vakvereenigingen georga-

Sluiten