Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niseerd. Van de honderdduizenden vrouwen die in ons land im handel, industrie, verzekeringswezen en landbouw hun brood verdienen waren er op 1 Januari 1915 maar 8921 georganiseerd (volgens opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek), waarvan 8339 in gemengde vakverenigingen en 582 in vakverenigingen welke uitsluitend uit vrouwen bestaan.

Die 582 zijn op de volgende wijze verdeeld:

Ned. Bond van Rijkstelefonisten 101 leden

R.-K. Vrouwen Apothekers Assistentenbond ... 17 „

Christelijke Naaisters Vereen, te Amsterdam . . 41 „

Vereen, van Gemeente Telefonisten 161 „

R. K. Vereen, v. Waschindustrie in het Bleekersvak

te Haarlem 16

R.-K. Vereen, van Vrouwen in de Kledingindustrie

St. Gerardus Majella te Rotterdam 30 „

Tilburgsche R.-K. Dienstb. Vereen. St. Zita . . . 7 „

Samen 582 leden

Nu zijn er onder Christenen menschen die bezwaar hebben tegen vakverenigingen in het algemeen om hun meestal strijdvaardig karakter. Hen zoude ik willen wijzen op het gedeelte over vakverenigingen in het Tweedie deel van de Christelijk Sociale Studiën van Dr. Slotemaker da Bruine. Hierin zet Dr. S. d. B. uiteen, dat de vakverenigingen oorspronkelijk niet bedoeld zijn als organen van klassenlstrijd, wat zij al te dikwijl» zijn geworden, maar dat zij noodzakelijk zijn als organisatie van den arbeid en eenigszins de plaats moeten innemen van de gilden die na de Fransche revolutie zijn verdwenen.

Op de vraag of de vakvereenigingen al of niet speciaal Christelijk moeten zijn luidt het antwoord van denzelfden schrijver „dat de oprichting van godsdienstig-gekleurde vakvereenigingen onnoodig moest zijn en ook overal onnoodig en verkeerd is, waar de traditiën onder ons volk nog sterk genoeg werken, om te waarborgen, dat geen christelijke overtuiging zal worden gekwetst."

Wat uit ons, gedoopte en, in zijn groote meerderheid nog min of meer christelijk en kerkelijk gevoelende volk opkomt, dat moet overeenkomen met de christelijke traditiën, ook al staat het woord „christelijk" er niet buiten op.

Alleen wanneer dit niet langer het geval is, mogen en moeten Christenen zich afzonderlijk organiseeren." *)

Hier is dus een dubbele roeping, juist voor de christelijke vrouw, te trachten te zijn een zout in de wereld der vakvereeniging, om er uit te weren zoo mogelijk alles wat werkelijk onchristelijk is, en waar dit niet langer gaat zelve den stoot te geven tot de oprichting van eene christelijke vakvereeniging.

!) Dr. Slotemaker de Bruine, „Christelijk Sociale Studiën." 4e druk, Utrecht; G. J. A. Ruys, 2e bundel, blz. 316.

Sluiten