Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvoor in en buiten haar huis allerlei arbeid te verrichten. In Spreuken 31 bezingt Lemuel daarom den lof der deugdelijke huisvrouw, die wol en vlas zoekt en werkt met last harer handen, die haar brood van verre doet komen en haar huis spijze geeft, die hare handen uitstrekt naar de spil en fijn» lijnwaad verkoopt, die zich over den ellendige ontfermt en lacht over den toekomenden dag.

Deze lof geldt de vrouw uit het welvarende gezin, die ook dikwerf elders, in Babylonië en Egypte, in Griekenland en Rome hoog gewaardeerd werd. Maar de vrouwen uit den minderen stand bij de cultuurvolken, en de vrouwen bij de onbeschaafde volkeren) hadden het meestal zwaar te verantwoorden. Niet zelden waren ze slavin van den man, lastdier voor het zwaarste werk, geroepen; tot arbeid niet alleen in, maar ook buiten het gezin, in den stal, op het veld en in de werkplaats. En als in de beschaafde maatschappijen de rijkdom en de weelde toenamen en de zeden achteruitgingen, dan kwam allengs de deftige matrone van oude bij de geestige, ontwikkelde hetaere op den achtergrond te staan; de mannen zochten bij haar vertier en sleepteri allengs ook de vrouwen mede in hun val. In zulk eene bedorven maatschappij trad volgens Rom. 1 het Christendom op, dat daarom de vrouw tot het huisgezin tersjgriep en haar onderdanigheid, kuischheid en eenvoud aanbeval, Ef. 5, 22, Col. 3 : 18, Tit. 2 : 5, 1 Petr. 3 :1—6.

Daarmede heeft het Christendom aan de wereld eene buitengewone weldaad bewezen. Het heeft de vrouw in haar eere hersteld, het huwelijk geheiligd, het huisgezin vernieuwd, en de godsdienstig-zedelijke opvoeding der kinderen den ouders op het hart gebonden. Maar al werd het nu wederom de eerste plicht der vrouw, om, gelijk het in Tit. 2 : 5 heet, het huiste bewaren, daarmede werd toch niet alle arbeid buitenshuis aan de vrouw in de Christelijke maatschappij ontnomen. Ten allen tijde werd en wordt er door de vrouw velerlei arbeid verricht, die niet in de woning geschiedt noch ook direct met het moederschap en de opvoeding der kinderen in verband ataat. In oude tijden; was het huisgezin een afgesloten en zelfstandig geheel; het was de periode van het „besloten huishouden". Man, vrouw, ouders, kinderen, grootouders en kleinkinderen, slaven en slavinnen woonden sameni op hetzelfde erf, en maakten de ééne familie uit; en deze voorzag zelf in al hare behoeften aan spijze, drank, kleeding, deksel, huisraad, enz., en oefende in eigen kring allerlei bedrijven uit. De vrouwen waren daarbijeven productief als de mannen* rij het ook in andere soorten van arbeid; zeldeni of nooit gingen zij in huishoudelijke werkzaamheden en in de opvoeding der kinderen op; rij verrichtten er allerlei productieven arbeid op het veld of in de werkplaats bij.

In de Middeleeuwen kregen zij eene aanmerkelijke verlichting van haar zware taak; want toen de techniek zich ontwikkelde en de arbeddsverdeeling toenam, werden-vele bedrijven zelfstandig en kwamen in handen van demannen in het gilde, dat voor de vrouwen! niet openstond. Maar spoedig werd toen ook de vrouw tot beroepsarbeid geroepen, die dus volstrekt niet eerst door de modeme grootindustrie is veroorzaakt. Vooral in de textielnijverheid, maar ook wel in andere bedrijven, zooals bakkerij en kleer-

Sluiten