Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer dan eentonige hand- of armbewegingen bestaan, die door de vrouw en door de kinderen evengoed als door den man konden worden verricht. De zware concurrentie dwong er bovendien toe, om de goedkoopste arbeidskrachten in dienst te nemen], deze zooveel mogelijk te exploiteeren, en door deze middelen steeds goedkooper en tevens onsolider goederen te produceeren. Het snelle verbruik dezer goederen, door de heerschappij der mode bevorderd, kwam weer aan de vermeerdering der productie en aan de uitbreiding der fabrieken ten goede. Zoo keerde de beweging, als in een cirkel, weer tot haar eigen uitgangspunt terug; exploitatie van arbeidskrachten en warenproductie werden dienstbaar aan geldverdienen en winstmakerij.

Rekent men daarbij, dat de man zijn loon dikwerf niet geheel aan zijn gezin afstaat, maar, zijn vrouw en) kinderen bedriegend, een groot gedeelte voor zichzeiven behoudt, voor tabak en sigaren, voor drank bovenal; dat het ook geene zeldzaamheid is, als de man zijne vrouw moedwillig verlaat, of ook door den dood van haar genomen wordt — en het wordt duidelijk, dat de gehuwde vrouw menigmaal zelve er op uit moet, om den kost te verdienen voor zichzelve en voor baar kroost. Gewoonte en) opvoeding leggen hierbij ook wel gewicht in de schaal; de wensch, om iets te sparen voor den kwaden dag, laat zich soms ook wel gelden. Maar over het algemeen kan men| zeggen, dat de gehuwde vrouw uit den werkmansstand, niet door begeerte of lust, en nog veel minder door het feministisch ideaal van de economische zelfstandigheid der vrouw of van de ontvouwing harer persoonlijkheid, maar eenvoudig door den nood tot den beroepsarbeid gedreven wordt.

Over aard en omvang van den vrouwelqken beroepsarbeid behoeven wij hier niet in bijzonderheden te treden, en kunnen we met eenige algemeene opmerkingen volstaan. Volgens de beroepstelling op 31 December 1909 bedroeg de geheele vrouwelijke bevolking boven 12 jaar in ons land: 2,139,882 personen; daarvan waren werkzaam in een beroep 540,885, dat is 25,2 percent, tegen 23.2 in het jaar 1899. Vergeleken met de beroepuitoefenende manlijke bevolking, vormde het aantal vrouwen), in een beroep werkzaam, 29 percent in 1899, en 31,4 percent in 1909. Naar beide berekeningen had er dus eene toename van de in beroep werkzame vrouwen plaats. En dit is een) verschijnsel, dat niet alleen in ons vaderland zich voordoet, maar ook elders in alle cultuurstaten voorkomt. De vrouw dringt steeds meer in alle beroepen binnen, en het aantal beroepen, dat voor haar gesloten is, krimpt gaandeweg in. Het percentage van vrouwen, dat in landen als België, Duitschland, Engeland in een beroep werkzaam is, is daar, vurgeleken met het aantal mannen), aanmerkelijk ,hooger dan in ons vaderland. En dit percentage is in de laatste jaren nog weer abnormaal hoog gestegen in alle oorlogvoerende landen. Het aantal vrouwen, dat daar als kellners, conducteurs, brievenbestellers, als arbeidsters in ijzer- en staalfabrieken, bij het vervaardigen van bommen en granaten, in vliegdienst en achter het front de plaats van mannen heeft ingenomen, loopt in de honderdduizenden.

Sluiten