Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaande toestanden niet eenige verbetering ware aan te brengen. En pogingen zijn er in verschillende richting voorgesteld en beproefd. Het radicaalst ware zeker, als de overheid allen arbeid der gehuwde vrouw buitenshuis verbood. Maar ook zij, die van het schadelijke van zulken arbeid voor het gezinsleven ten volle overtuigd zijn en hem hoogst ongewenscht achten, durven zulk een absoluut verbod toch niet aan. In de eerste plaats rijst daarbij de vraag, of de overheid de bevoegdheid heeft, om door zulk een verbod inbreuk te maken op die vrijheid en) bet recht der burgers. De grenzen der staatsmacht breiden zich in de tegenwoordige maatschappij wel gaandeweg uit, maar ze zouden toch al te wijd worden getrokken, als de overheid ging beoordeelen en vaststellen, hoe eene gehuwde vrouw haar leven had in te richten. Bovendien zou zulk een verbod tot groote willekeur leiden. Er is n.1. allerlei beroepsarbeid, die door de gehuwde vrouw wordt verricht, arbeid in huia en buitenshuis, in den stal en in de schuur, arbeid in anderer woning, op het veld, in de fabriek, arbeid, die dag aan dag, of arbeid, die enkele diagen of halve dagen in de week of enkele dagen in het jaar wordt verricht, arbeid in vrije beroepen) en in dienstbetrekkingen enz. Het gaat niet aan, deze alle over ééne kam te scheren en te treffen met hetzelfde verbod'. Men zou dug onderscheid moeten maken, maar daarmede tevens de deur openen voor allerlei willekeur, en allicht den schijn op zich laden, dat men aan die gehuwde vrouw uit den arbeidenden stand vrijheden en rechten ontnam, welke men gunde aan die uit den burgerstand. Voor een verbod zou toch zonder twijfel vóór alles de fabrieksarbeid in aanmerking komen, maar in de arbeiderskringen zou zulk een verbod, met vrijlating van allen anderen arbeid der gehuwde vrouw, wrevel wekken en prikkelen tot verzet. Immers zou het aan bet arbeidersgezin een bron van inkomsten onttrekken, welke het voor zijn bestaan niet missen kan, en die zeker niet, zooals sommigen meenenl, door eene evenredige verhooging van het loon van den man vergoed zou worden. Gevolg zou dan ook alleen wezen, dat de wet op aUerlei manier ontdoken werd, dat die vrouw naar anderen arbeid uitzag, die nog zwaarder en schadelijker was dan die in de fabriek, en nog minder werd beloond (bijv. huisindustrie, verkapte bedelarij enz.), en dat de bedoeling der wet, n.1. de bewaring van het gezineleven, de opvoeding der kinderen en de vermindering der kindersterfte, toch niet werd bereikt. Het middel zou allicht erger zijn dan de kwaal.

Anderen hebben daarom in tegengestelde richting eene oplossing gezocht en de vrouw, ten bate van haar beroepsarbeid, van hare gezinstaak willen bevrijden. Het zijn vooral socialistische mannen en vrouwen geweest, Bebel, Lily Braun, Mevrouw Eolant Holst e. a., die deze bevrijding der vrouw van de huishouding zich als ideaal hebben voor oogen gesteld; het hangt ten nauwste saam met hunne gedachten over den oorsprong van huwelijk en huisgezin. Beide toch zijn naar hunne meening niet met de schepping van man en vrouw gegeven! maar zijn historisch ontstaan, in verband met Veranderingen, die in bet productiestelsel plaats grepen. Oorspronkelijk was er gemeenschappelijk bezit van vrouwen en goederen, evenals bij

Sluiten