Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cultuur met haar buitengewone uitbreiding van machine- en fabriekwezen, van landbouw en nijverheid, van handel en verkeer, het sociale leven zoo samengesteld en ingewikkeld maakt, dat ieder verlegen staat tegenover de talrijke zwaarwichtige problemen, welke het aan de orde stelt. En deze problemen nemen daardoor een nog ernstiger karakter aan, wijl er in het geestelijk en zedelijk levens eene groote onvastheid is ingetreden, en de hedendaagsche maatschappij door de tegenstrijdigste meeningen, door allerlei twisten en partijschappen wordt verscheurd. In dezen nood zien allen op naar den staat als den aardschen godi, van wien de hulp moet komen. Geen stand of klasse, geeni vereeniging of genootschap, geen bedrijf of onderneming, of ze kloppen aan om steun bij de overheid. Dat hierbij. groote overdrijving en ergerlijk misbruik plaats heeft, staat vast. Maar dit opzien tot den staat is toch ook bewijs, dat de maatschappij zich zelve alleen niet meer te redden weet. De nooden zó'n te groot, de eischen van het leven te zwaar.

In bijzondere mate geldt dit van den arbeidenden stand, die in zekeren zin de dupe is geworden van de moderne cultuur. Want het fabriekwezen heeft hem van alle privaat bezit der productiemiddelen beroofd en hem alleen zqne arbeidskracht nog overgelaten; het heeft hem gedoemd tot een dikwerf eentonigen, gieeutdoodenden arbeid in werkplaatsen met oorverdoovend geraas, en hem alle vreugde aan zijn werk ontnomen; en het onderhield hem met een loon, dat dikwerf zoo gering was, dat ook vrouwen en kinderen door bijverdiensten het moesten verhoogen. In deze toestanden, die in den aanvang uiterst treurig waren, is langzamerhand, mede door de wetgeving des lands, groote verbetering aangebracht. Maar deze moet voortgezet worden, dloor de maatschappij zelve in de eerste plaats, doch daarna ook door de helpende hand van den staat. Het recht voor het ingrijpen van regeeringewege ligt in de misstanden, die vroeger vooral en ook nu nog op het terrein van den arbeid voorkomen. De sociale wetgeving had haar oorsprong in de schade, welke geestelijk en stoffelijk, ethisch en hygiënisch, aan de arbeidende bevolking in de fabrieken, vooral aan de kinderen en de vrouwen werd toegebracht; enJ ze heeft daarin nog altijd haar grond. Wijl de arbeiders, en inzonderheid de vrouwen on kjndfiren, zichzelf niet voldoende helpenl kunnen» ie de overheid geroepen, om voor hunne belangen op te komen en tegenover aanranding en geweld hun recht te handhaven. In alle beschaafde landen hebben de regeeringen dan ook vroeger of later dlpzen weg ingeslagen en in den moeilijken strijd fan het bestaan aan de zwakken bescherming en steun geboden.

Ofschoon deze overheidsbescherming over het algemeen instemming en sympathie vindt, zqn er toch, die tegen eene bijzondere bescherming van de gehuwde of ongehuwde vrouw bezwaren inbrengen; hier te lande bijv. Mevrouw Rutgers-Hoitsema en Mej. Anna Polak. Zij merken op, dat een werkgever, eventueel ook de staat, geen andere reden voor ontslag mag laten gelden dan het belang van den dienst, en dat het sluiten van een huwelijk door eene ambtenares of eene onderwijzeres

Sluiten