Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is voor het gezin van zoo groote beteekenis. Spr. vraagt ten slotte of de Overheid niet moet voorgaan in den strijd tegen den arbeid der gehuwde vrouw? (Applaus).

De heer A. Mastenbroek (Rotterdam) sluit zich aan bij den vorigen spreker. Hij had van Prof. Bavinck forscher lijnen gewild. Vooral de laatste stelling is vaag. De economische en sociale ontwikkeling is niet een organisch iets. Zelve moeten we op de ontwikkeling invloed uitoefenen, de bepaling van onze gedragslijn. Dat is vooral volstrekt noodig in verband met de voorgenomen maatregelen van Minister Aalberse. Stelling 3 van mej. Crommelin acht spr. niet juist. Hij wil in dit verband niet van een verblijdend verschijnsel spreken. De vrouw krijgt zoo niet de meest juiste opvoeding voor haar latere taak. In zake stelling 7 en 8 merkt hij op, dat niet steeds gelijk loon voor gelijken arbeid kan worden betaald. Dit zou misschien zoo kunnen zijn als er een commissie voor loonbepaling was, die zich nimmer vergiste. Zelf zou spr. die gelijkheid ook niet willen, omdat de behoeften verschillend zijn. In de oude familiehuishouding met naturaverkeer zou de vader van een gezin, ook meer ontvangen hebben, dan de man zonder gezin. Het z. g. gelijke loon voor gelijken arbeid zou voor ongehuwden beteekenen veel meer dan ze behoeven. Spr. staat voor hooger loon voor gehuwden en toeslag voor kinderen. Ten slotte hoopt hij, dat de Overheid den vrouwenarbeid in eigen dienst zal beperken (applaus).

De heer A. van Schaick (Amsterdam) wijst er op, dat het meisje vaak nutteloos bestaan had. Beroepsarbeid voert de vrouw eigenlijk af van haar ware taak. Door dien arbeid wordt ze ook concurrent van den man en werkt ze mee om in vele gevallen het huwen onmogelijk te maken. De beroepen van verpleegster, dienstbode enz. komen helaas in discrediet. Men wil „iets" worden. Maar dat is Vaak een kwaad, dat ongelukkige huwelijken tot gevolg kan hebben. Spr. zou de beroepsarbeid der vrouw alleen dan verblijdend willen noemen, als het ging om echt vrouwelijke beroepen (applaus).

Zuster G. A. Both (Zutphen) vraagt of de vrouw zich afzonderlijk moet organiseeren of met de mannen te zamen. Ook vraagt ze of de arbeid van de verpleegster beroepsarbeid is. En ook of de verpleegsters zich moeten organiseeren in een christelijke organisatie. De R. K. en moderne zusters gingen reeds voor. Ook op dit terrein is positie innemen tegen het ongeloof noodig. Maar dan moet de bangheid voor vakbonden prijs gegeven worden (applaus).

Dr. P. J. K r o m s i g t (Amsterdam) meent dat de wil ook op dit congres tot zijn recht moet komen. Hij vindt een forschen greep noodig en niet alleen wikken en wegen. Daarom is hij tegen stelling 4 van Prof. Bavjnck. Dit congres staat een beetje onder den invloed van de angst voor den Staat. De oude klassieke school is nog overal. Spr. wil christelijke Staatszorg maar bestrijdt daarom socialistische Staatszorg. De Overheid is er om der zondewil. Maar de zonde is een kwaad ding. Zachte heelmeesters maken ook in dit verband stinkende wonden. Evolutie helpt niet, ook geen christelijke evolutie. We moeten geen achteraankomers zijn, maar voorttrekkers (applaus). Spr. wil een absoluut verbod. Tegen de bakkerswet voerde men ook geleerde bezwaren aan, maar wat toen niet héétte te kunnen, geschiedt

Sluiten